Een sterk wetenschappelijk netwerk: waarom de JBI-richtlijnen zo belangrijk zijn

Op dit moment zitten de onderhandelingen voor de aankoop van de JBI-databank (Joanna Briggs Institute) op kruissnelheid. Dit bevat wetenschappelijke richtlijnen die verpleegkundigen helpen in hun dagelijkse handelingen. Zo stijgt niet alleen de kwaliteit van de zorg, maar ook de kennis van iedere verpleegkundige. Deze realisatie startte in 2016 met een federaal EBP (Evidence Based Practice) masterplan en kwam pas de laatste twee jaar in een stroomversnelling. Dat vroeg een enorme inzet van een heel team. Jef Adriaenssens, Health Service Researcher aan het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE), legt ons stap per stap uit wat het belang van deze EBP-richtlijnen is.

Eigenlijk moeten we zo’n dertien jaar terug in de tijd keren. Toen legden enkele artsen de EBP-principes vast en lanceerden een databank binnen de KU Leuven. De synchronisatie van de verschillende initiatieven in België verliep op dat moment niet optimaal en ook de financiering was nogal onduidelijk. Ook het feit dat deze richtlijnen er enkel voor huisartsen waren, kon beter. De eerste aanzet naar EBP-richtlijnen voor verpleegkundigen werd zo gegeven.

En dat was vooral een verdienste van de verpleegkundigen zelf. Ze trokken met het NVKVV en het Platform voor Wetenschap en Praktijk, en met de steun van de AUVB en andere beroepsgroepen, het hele proces op gang. “Toenmalig minister van Volksgezondheid Maggie De Block maakte in 2016 middelen vrij en creëerde met het Federale EBP-Netwerk sturing voor het aankopen en voor het centraliseren van richtlijnen voor zorgberoepen”, vertelt Jef Adriaenssens. “Het ging toen om de tien erkende beroepsgroepen uit de eerstelijnszorg: verpleegkundigen, podologen, diëtisten, artsen, apothekers, vroedvrouwen, kinesitherapeuten, ergotherapeuten, logopedisten en tandartsen. Let op, voor verpleegkundigen bestonden op dat moment al enkele richtlijnen van CIPIQ-S, maar verder niets.”

Netwerkmodel

Het initiatief werd warm onthaald. Enige probleem: er was onvoldoende content voorhanden voor de niet-huisartsen. Prioriteiten stellen was de boodschap. Eerst en vooral was er nood aan de installatie van een nieuw EBP-plan. Het werd een netwerkmodel op basis van zes rollen (zie schema), te beginnen met de prioritisatie. “Waar is er nood aan? Beroepsgroepen mogen jaarlijks projectvoorstellen indienen die toepasbaar zijn in het werkveld. Deze worden grondig bekeken en als de vraag gerechtvaardigd en onderbouwd is, kunnen ze mogelijk gefinancierd worden en schuiven ze door naar de volgende fase: de ontwikkeling”, legt Jef uit. “In die fase wordt een EBP-richtlijn of -product effectief ontwikkeld. Dat doe je niet zomaar en vraagt zeer veel expertise in methodologische processen. Staat die richtlijn op punt, dan kijken we of die ook goed gemaakt is. Dit noemen we de validatie en dit gebeurt door CEBAM (Belgisch Centrum voor Evidence-Based Medicine, nvdr.). De disseminatie of verspreiding verloopt dan weer via Ebpracticenet, een gratis portaal voor de zorg dat de richtlijnen, na vertaling  en eventuele contextualisatie, online ter beschikking stelt. Daarna komen we in de implementatiefase, die ook door Ebpracticenet gebeurt, want de richtlijnen moeten ook effectief gebruikt worden. Dit vraagt een zekere sensibilisatie en vaak ook een gedragswijziging. Tot slot is er de evaluatie waarin we gaan kijken of die richtlijn gebruikt wordt en of ze effect heeft.”

Zoeken naar inhoud

Dat de zoektocht naar richtlijnen voor tien zorgberoepen een titanenwerk is, wordt stilaan duidelijk. Er is een sterk netwerk nodig met mensen en organisaties die nauw samenwerken en de materie door en door beheersen. En dan is het probleem van de content nog niet opgelost. “Je hebt kritische massa nodig als je zo’n databank wil aanleggen. Van 2011 tot 2013 hebben we daar werk van gemaakt”, licht Jef toe. “Voor huisartsen kochten we uiteindelijk een Finse databank aan met zo’n duizend richtlijnen. Die pasten we al aan naar de Belgische gezondheidszorg. In 2015 volgde dan een grondige studie van een zestal buitenlandse multidisciplinaire databanken. Die van het Joanna Briggs Institute (JBI) van de University of Adelaide in Australië stak er met haar meer dan 4.000 EBP-bronnen met kop en schouders bovenuit.”

De JBI-databank verzamelt richtlijnen van meer dan tachtig wetenschappelijke centra wereldwijd, te vergelijken met de Cochrane Collaboration. Jef trok als toenmalig adjunct-directeur van het BICEP (Belgian Interuniversity Collaboration for Evidence-based Practice) naar Australië om de onderhandelingen voor te bereiden. Zo’n databank aankopen doe je namelijk niet in een-twee-drie. Ze moet grondig bestudeerd worden en ook de financiële middelen voor de aankoop, vertaling, contextualisatie en updates moeten volgen. “De onderhandelingen verlopen vlot en ik vertel dan ook graag met enige trots dat de JBI-databank momenteel in de laatste fase van de certificatie bij CEBAM zit”, zegt Jef. “Tegen het einde van 2021 is de databank in België mogelijk al operationeel.”

Driehoeksverhouding

Wat vind je als verpleegkundige nu in die JBI databank op Ebpracticenet? Om te beginnen zijn er met 920 recommended practices, 3.668 evidence summaries en 16 best practice information sheets zo’n 4.588 richtlijnen, waarvan veel voor verpleegkundigen. Gaande van concreet advies voor de organisatie van zorg tot aanbevelingen voor het (niet-)ontsmetten voor een inspuiting. Dit alles is onderbouwd door recente wetenschappelijke studies. Die informatie is er overigens niet alleen voor zorgverleners. Ook de zorgvrager speelt een rol in dit verhaal. “De zorgvrager is één van de drie noodzakelijke pijlers om aan evidence-based practice te doen. Aan de ene kant heb je de zorgverstrekker, zijn expertise en klinische vaardigheden. Aan de andere kant staat de patiënt die actief deelneemt aan zijn zorg en behandeling. Beide worden ondersteund door aanbevelingen uit wetenschappelijke kennis”, legt Jef uit. “Omdat evidence-based richtlijnen voor een leek vaak moeilijk zijn om te interpreteren, moet ook steeds een patiëntenrichtlijn voorzien worden. Dat luik neemt Gezondheid en Wetenschap voor haar rekening.”

De JBI-richtlijnen vormen een grote hulp, voor verpleegkundigen en voor andere zorgberoepen. “Ook psychologen zouden graag aansluiten bij het EBP Netwerk, maar dit moet grondig bekeken worden”, zegt Jef nog. Hoe dan ook zijn deze richtlijnen er voor alle aspecten van de zorg: van de organisatie en evaluatie tot preventie, behandeling en nazorg. De richtlijnen stimuleren daarnaast ook het principe van levenslang leren. “Je leert praktische vaardigheden op school, maar teert niet je hele loopbaan op dat diploma. De JBI-databank helpt je om te gaan met nieuwe tools. Het is een medium voor verpleegkundigen dat ze van op de schoolbanken tot aan hun pensioen kunnen raadplegen.”

Effecten op de werkvloer

Stiekem droomt Jef al even over de volgende stap. “Het ideale scenario is dat je aan het bed van de zorgvrager staat en met één muisklik de nieuwste kennis en richtlijn te zien krijgt. Dokters werken in hun patiëntendossier al zo. Het heet clinical decision support en voor verpleegkundigen is het in volle ontwikkeling. Het effect ervan is niet min. Er gebeuren minder vergissingen want je hebt de laatste wetenschappelijke info bij de hand. Maar je verruimt ook je kennis en blijft niet hangen in traditionele behandelingen. Daarnaast behoud je ook steeds die kritische blik op de handelingen die je stelt. Evidence-based Practice is niet zoals een kookboek waarin je de stappen volgt. Elke zorgvrager is anders en de situatie verschilt keer op keer.”

In het masterplan werd al snel duidelijk dat de vrijgemaakte financiële middelen voor de aankoop ook gekoppeld zouden moeten worden aan een serieuze tijdsinvestering want ook het up-to-date houden ervan vraagt het nodige werk en aandacht. Zal dit dan effect hebben op het beroep van verpleegkundigen? “Zeker”, zegt Jef overtuigd. “Het zal ook de uitstroom verminderen. In de Verenigde Staten deden ze een onderzoek waaruit blijkt dat wanneer de positie en expertise van een verpleegkundige binnen de zorg gewaardeerd wordt, de uitstroom daalt en de instroom stijgt. Ze noemen dit het magnet hospital-principe. Met een stevige fundering aan kennis en de principes van evidence-based practice staat de verpleegkundige namelijk zelfzeker in zijn/haar expertise. Dit laat toe om op gelijke voet in discussie te gaan met andere zorgberoepen. Zo kunnen ze samen de zorgpuzzel van de zorgvrager leggen, met recente wetenschappelijke kennis als fundering. Als verpleegkundigen waren we bij elke stap van dit project nauw betrokken. We mogen terecht fier zijn dat we mee aan de basis staan van dit ingewikkelde verhaal.”

Bronnen:

Een globaal plan voor Evidence Based Practice in België.

K.B. 12 november 2017 – Koninklijk besluit houdende toekenning van een toelage aan EBMpracticenet VZW om het systematisch gebruik van Evidence Based Practice in de beroepsuitoefening van de erkende gezondheidszorg-beoefenaars te stimuleren voor een kwaliteitsvollere zorg gedurende de periode van 1 september 2017 tot en met 31 december 2017. B.S. 05.0I.2018

Project EBNursing, FOD Volksgezondheid, 2016

Joanna Briggs Institute

BICEP


Een kompas richting een sterke eerste lijn

Het Vlaamse Instituut voor de Eerste Lijn, VIVEL, werd in januari 2019 opgericht ter ondersteuning en versterking van de eerste lijn en de zorgraden in de gezondheids- en welzijnssector. Om hun strategische – en beleidsbeslissingen vorm te geven ontwikkelden ze een kompas dat recent uitbreidde van vier naar vijf pijlers: de Quintuple Aim. Deze vijf pijlers hebben als doel een optimale zorg en welzijn van iedereen centraal te zetten. VIVEL zet dan ook volledig in op samenwerkingen en ondersteuningen binnen de eerstelijnszones in Vlaanderen en Brussel.

Al sinds de jaren 80 droomt de gezondheidssector van een instituut voor de eerste lijn, dat een intense en duurzame samenwerking zou bevorderen. Het was pas onder minister Jo Vandeurzen dat in 2019 het eerstelijnsdecreet werd goedgekeurd dat de basis vormde voor de oprichting van de zorgraden en de vzw VIVEL als centraal aanspreekpunt voor de eerste lijn. “VIVEL is een zeer jonge organisatie, maar ook de zorgraden zijn pas opgericht in juli 2020. COVID-19 bracht onze werking meteen in een stroomversnelling en toonde al snel aan hoe belangrijk een instituut voor de Eerste Lijn en de zorgraden zijn”, zegt dokter Caroline Verlinde, directeur van VIVEL. “De multidisciplinaire teams van de zorgraden lieten in volle coronacrisis zien dat ze flexibel konden inspelen en samenwerken om aan alle noden in de eerstelijnszone tegemoet te komen. Wij ondersteunden hen met vormingen, ons kennisplatform en activiteiten, uitgewerkt volgens wat de zorgraden nodig hadden. We merkten dat er samenwerkingen ontstonden die voordien onbestaande waren. Huisartsenkringen, lokale besturen, andere actoren, … Allemaal vonden ze elkaar: van sensibilisering, quarantaine coaching, contact- en bronopsporing tot de vaccinatie. In een complex zorglandschap is dat niet vanzelfsprekend, maar is het cruciaal om samen te werken en om elkaars sterktes aan te vullen. Ook daar helpt VIVEL, door gezondheid en welzijn te combineren. We verbinden de eerste lijn met vertegenwoordigers van personen met een zorg- en ondersteuningsnood, met mantelzorgers, expertisecentra, enzovoort.”

Eerstelijnszones? Zorgraden? In Vlaanderen en Brussel zijn er zestig eerstelijnszones, geografisch afgebakende gebieden. De zorgraden zijn het kloppende hart van de eerstelijnszones. Ze brengen kennis en kunde samen vanuit verschillende disciplines. Samen met alle zorgaanbieders in de zone moeten zij inspelen op de noden van de zorgvrager. VIVEL ondersteunt hen hierin. In de eerste plaats als netwerkorganisatie die samenwerken stimuleert. En daarnaast ook door het ter beschikking stellen van informatie en data. “We delen implementatietools, coachen, adviseren en organiseren vormingen om de eerstelijnszones te ondersteunen”, vertelt Caroline. “We bieden ook strategisch advies aan de Vlaamse en Brusselse overheid met als doel het beleid voor de eerstelijnszorg te optimaliseren.”

Sociale inclusie

VIVEL gaat doordacht te werk in het nemen van strategische – en beleidsbeslissingen voor gezondheid en welzijn. Het doel: efficiënt impact realiseren over alle doelgroepen heen. Hiervoor maakt VIVEL gebruik van de Quintuple Aim (zie schema), een kompas met vijf pijlers. Die vijfde pijler werd recent toegevoegd omdat sociale rechtvaardigheid en inclusie van groot belang is. “De Quintuple Aim is onze toetssteen voor beslissingen en strategieën”, legt Caroline uit. “De vier pijlers van de Quadruple Aim moeten namelijk ook werken voor de meest kwetsbaren in onze samenleving. Sociale inclusie is een belangrijk aspect. VIVEL wil namelijk iedereen van de bevolking bereiken vanuit het proportioneel universalisme: het hanteren van andere strategieën om met dezelfde acties hetzelfde effect te bekomen bij verschillende doelgroepen.”

Caroline geeft het voorbeeld van de vaccinatiestrategie. Wil je een vaccinatiegraad van meer dan 70 procent, dan moet je je populatie opdelen in doelgroepen. Je hebt jongeren, ouderen, mensen in instellingen, bedlegerige personen, maar ook twijfelaars, zeevaarders, mensen die geen digitale vaardigheden bezitten of die de taal niet helemaal machtig zijn. Je moet goed nadenken hoe je al deze mensen wil bereiken en daar heb je verschillende strategieën binnen gezondheid en welzijn voor nodig. De Quintuple Aim geeft dan de richting aan.

“Er zijn nog heel wat andere voorbeelden. In de gezondheidszorg denk ik aan de terugbetaling van ambulante raadplegingen van geconventioneerde klinisch psychologen. Zo versterken we de toegankelijkheid van de GGZ, ondersteunen we de eerste lijn en is er een betere doorverwijzing naar meer gespecialiseerde zorg. Om in te spelen op de toename van de psychosociale problemen tijdens de pandemie werd een uitbreiding van de terugbetaling voor eerstelijns psychologische zorg goedgekeurd. Dit kan stap voor stap de toegankelijkheid verbeteren en de sociale ongelijkheden in de geestelijke gezondheidszorg verminderen.”

Een gids voor een complexe sector

De Quintuple Aim kan op zowat alle zorgniveaus toegepast worden. Op marco- en microniveau: gaande van het beleid of een – bijvoorbeeld – verpleegkundige organisaties tot de zorgverlener en zorgvrager. “Die vijfde pijler illustreert net dat de zorg die je levert, ook als verpleegkundige, moet aangepast zijn aan de ontvanger. En elke ontvanger is anders. One size doesn’t fit all, een boodschap die verpleegkundigen zeker zullen beamen”, vertelt Caroline.

Met de Quintuple Aim de uitstroom in de zorg tegengaan? Volgens VIVEL kan dat zeker. Sterker nog: zorgaanbieders hun job met voldoening laten uitvoeren is een van de initiële pijlers van het kompas. Samen met het efficiënt en effectief organiseren van de ingezette middelen. Maar VIVEL gaat verder en werkt mee aan tal van projecten die tot een hogere werktevredenheid van alle zorgprofessionals leiden. Een mooi voorbeeld van zo’n project is De ZorgSamen. Dit biedt psychologische ondersteuning aan zorgverleners om hen voldoende veerkracht te geven. Het initiatief ontstond vanuit Zorgnet-Icuro en groeide uit tot een online platform voor de hele Vlaamse zorg- en welzijnssector.

Als zorgverlener alleen de problemen van je zorgvrager oplossen is haast onmogelijk. Net daarom is samenwerken zo waardevol. “De zorg is een complexe en versnipperde sector waar samenwerkingen niet altijd vanzelfsprekend zijn. Nochtans zijn er grote gezondheidswinsten te maken door een sterkere, interprofessionele samenwerking. Maar om samen te werken moet je elkaar eerst kennen en daar knelt het schoentje”, zegt Caroline nog. “Een gemeenschappelijk project helpt, maar de grote hefboom was COVID-19. Huisartsen, verpleegkundigen, apothekers, lokale besturen, welzijnswerkers, enzovoort. Allemaal vonden ze elkaar. Via buurtgerichte werkingen, het inzetten van COVID-19-coaches door artsen, de aandacht voor de psychosociale gevolgen, het inzetten van verpleegkundigen in triagecentra, woonzorgcentra, vaccinatiecentra, noem maar op. Deze gezamenlijk aanpak leidde tot succesvolle oplossingen. Kleine stappen en initiatieven brachten nieuwe en betere inzichten. Er zijn sterke fundamenten gelegd waar we nu op verder kunnen bouwen.”

Wat is VIVEL?

VIVEL is het Vlaams Instituut Voor de Eerste Lijn dat sinds 1 mei 2019 erkend en gefinancierd wordt door de Vlaamse Overheid als partnerorganisatie voor de eerste lijn. Op Vlaams niveau is VIVEL het centrale aanspreekpunt en het platform voor de dialoog van de eerstelijnsactoren met de overheid en met elkaar. VIVEL verenigt de gezondheids- en welzijnsactoren van de eerste lijn, de vertegenwoordigers van personen met een zorg- en ondersteuningsnood, mantelzorgers en gebruikers, de lokale besturen en de expertisecentra. Samen met alle actoren van de eerste lijn wil VIVEL de gezondheid en het welzijn van elke burger in Vlaanderen en Brussel verbeteren.

VIVEL wil de eerste lijn versterken en ondersteunen door het vormen van lerende netwerken in de eerste lijn, het delen van expertise, ontsluiten van data, ontwikkelen van methodieken, geven van vorming en coaching, het stimuleren van innovatie en het adviseren van de overheid.

Meer informatie: vivel.be

Meer weten over de zorgraden? Op vivel.be vindt je een mooie animatie.


Care shift: een goed idee?

Zorg verschuift steeds vaker van het ziekenhuis naar de thuisomgeving. Thuishospitalisaties nemen toe, net als de werkdruk en de complexiteit van de zorg. Kristel De Vliegher bestudeerde in 2015 de evoluerende rol van de thuisverpleegkundige en houdt vandaag de vinger aan de pols als diensthoofd van het verpleegkundig departement van het Wit-Gele Kruis. Ze geeft aan wat er toen, en vooral nu, speelt in het werkveld.

Steeds meer patiënten worden vroeger ontslagen uit het ziekenhuis en ontvangen thuis de nodige zorgen. De vergrijzing van de bevolking speelt een rol, maar ook het toenemende aantal chronische ziekten, de vooruitgang van de geneeskunde en het gebrek aan financiële middelen voor langdurige ziekenhuisverblijven dragen hier toe bij. Ze waren in 2015 ook de aanleiding voor een studie naar de belangrijke rol van thuisverpleegkundigen. Kristel De Vliegher: “Er zijn meerdere morbiditeiten die heel wat complexe en technische zorgen vragen. Niet alleen de inhoud van het werk van thuisverpleegkundigen is veranderd, maar ook de complexiteit neemt toe. In mijn doctoraat ging ik op zoek naar hoe thuisverpleegkundigen die care shift aanvoelen en benaderen. Welke handelingen worden steeds vaker in een thuisomgeving uitgevoerd? Wat is het effect hiervan op thuisverpleegkundigen en wat hebben zij nodig om hun job correct en met voldoening te blijven uitvoeren?”

Kristel trok toen drie belangrijke conclusies. Om te beginnen was er geen duidelijke definitie van wat een technische en een complexe interventie is. Ook vandaag zijn die definities nog niet helemaal duidelijk. “Al hebben we wel een algemene aanvaarding van wat deze begrippen inhouden”, legt Kristel uit. “Onder een technische interventie verstaan we alle handelingen die opgenomen zijn in de nomenclatuur van het RIZIV. Ze vormen de basis van een thuisverpleegkundige. Complexe interventies zijn vaak tijdsintensief en zijn context- en casusgericht te bekijken. Denk maar aan ingewikkelde wondzorg, pijn- of medicatiepompen, het vervangen van suprapubische sondes, palliatieve zorg of ambulante dialyse.”

Complete zorg aan huis

Of iets nu complex of technisch is, alles valt of staat met een duidelijk en volledig medisch voorschrift, de beschikbaarheid van het juiste materiaal, een realistische zorgsituatie met voldoende ondersteuning vanuit de thuissituatie, en een bekwame thuisverpleegkundige met een grote verantwoordelijkheidszin. Deze schoolt zich bij en staat in nauw contact met de zorgvrager, diens familie en zorgteam. En dat brengt ons bij conclusie twee: die van een meer geïntegreerde thuiszorg. “Dat betekent voor thuisverpleegkundigen meteen dat ze al hun vaardigheden uit de kast moeten halen. Is de gezondheidstoestand van een patiënt stabiel, dan mag die het ziekenhuis verlaten en staat de thuisverpleegkundige in voor de wondzorg, injecties, het controleren van de glycemiewaarden, het opvolgen van de antibioticakuur, enzovoort. Daarnaast voeren ze ook steeds vaker handelingen uit die typisch enkel in ziekenhuizen gesteld worden. Zoals bijvoorbeeld chemotherapie, negatieve druktherapie, sondevoeding, het plaatsen van een poortkatheter, dialyse of complexe palliatieve zorg. Een thuishospitalisatie, zoals dat ook wel genoemd wordt.”

Wat zijn technische en complexe interventies?

Een technische interventie wordt bepaald door:

  • de kennis, ervaring en vaardigheden van de verpleegkundige
  • de zorghouding of hoe de verpleegkundige de patiënten fysisch, psychisch en sociaal ondersteunt
  • voortdurende bijscholing
  • een medisch voorschrift
  • de opname in de nomenclatuur van het RIZIV
  • het gebruik van medische instrumenten
  • de observatie en verantwoordelijkheidszin van de verpleegkundige

Een complexe interventie wordt bepaald door:

  • meer kennis, ervaring en vaardigheden
  • het behalen van een bepaald niveau door ervaring
  • observatie en supervisie, een hoger risico op complicaties
  • voortdurende bijscholing
  • het gebruik van specifieke instrumenten
  • meerdere technische en arbeidsintensieve handelingen
  • emotionele steun, vaak in een palliatieve situatie
  • interactie met de coördinerende zorgpersoon en andere medische disciplines

Om dit allemaal te realiseren heeft de thuisverpleegkundige ondersteuning nodig. Enerzijds zijn dat meer handen aan het bed, anderzijds meer financiële middelen die alle gestelde handelingen en zorg coveren. En die types ondersteuning zijn enkel effectief wanneer ook werk gemaakt wordt van de derde en laatste conclusie uit het onderzoek: een inter- en multidisciplinaire samenwerking en communicatie. Zowel tussen verschillende zorgberoepen in de vorm van team meetings, rapporten of zorgplannen, als tussen zorgverlener, zorgvrager en de familie. “Het goed organiseren en coördineren van de zorg is cruciaal. Op dit domein zijn de grootste vooruitgangen geboekt”, zegt Kristel nog. “Zorgcoördinatie en case management zijn geen nieuwe begrippen meer, maar tot op heden zijn beide zorgvormen nog niet eenduidig structureel verankerd in de gezondheidszorg. Idealiter vertrekt de zorgcoördinatie vanuit de patiënt en zijn familie en wat zij nog zelf kunnen en willen opnemen. Vervolgens wordt met de verschillenden zorgverleners, in overleg met de patiënt en zijn omgeving, gekeken wie welke rol vervult. ”

Op maat van de zorgvrager

De studie van Kristel kaderde toen in een breder project van het RIZIV over de integratie van zorgkundigen in de thuiszorg. De drie conclusies liggen op tafel, is er in tussentijd veel veranderd? “Met de komst van de eerstelijnszones is er heel wat werk verzet. Zorgcoördinatie en case management zijn in volle ontwikkeling en zowel in de protocol 3-projecten als in de projecten chronische zorg wordt hier hard rond gewerkt”, zegt Kristel. “De coronacrisis gaf de samenwerking een boost. Mensen moesten elkaar vinden om de zorg in tijden van een pandemie te continueren en blijvend te kunnen garanderen. Via samenwerking probeerde men de behoeften van iedere patiënt te blijven vervullen. Ook het werken met zorgkundigen betekent een hele ondersteuning voor de thuisverpleegkundige, zeker in een crisissituatie waar alle handen meer dan nodig zijn. Ook los van corona, zal een verpleegkundige zijn of haar patiënt nooit uit handen geven, maar door beroep te doen op een zorgkundige kan de kwaliteit en continuïteit van zorg blijvend worden gegarandeerd.

De verhoogde werkdruk, de meer complexe zorg. Is die care shift wel een goed idee? “Ja”, zegt Kristel overtuigd. “In deze coronacrisis zien we dat ziekenhuizen genoodzaakt zijn om de reguliere zorg af te bouwen en dat mensen niet meer naar het ziekenhuis durven gaan. Verpleegkundigen hebben de expertise en scholen zich voortdurend bij. Ze zijn voorbereid op complexe zorgsituaties en op de verdere opvolging van de patiënt thuis. Bij thuisverpleegkundigen komt daar nog eens bij dat ze de zorgvrager en zijn of haar context zeer goed kennen. Ze komen bij de zorgvrager thuis en bouwen zo een vertrouwensband op. Die samenwerking met de tweedelijnszorg is dan ook bijzonder waardevol, maar enkel wanneer dat in overleg gebeurt. De thuisverpleegkundige volgt de zorgvrager op en voorziet de tweedelijnszorg met context en extra informatie. Een verpleegkundige informeert vanuit een klinische blik en met het oog op maatschappelijk verantwoorde zorg.”

Een brede waaier aan competenties

Momenteel lopen er enkele proefprojecten in het kader van de verschuiving van zorg van het ziekenhuis naar de thuiszorg, zoals negatieve druktherapie, waarbij de patiënt kosteloos zijn therapie kan verderzetten thuis, de mogelijkheid om chemo- en infuustherapie bij een kankerbehandeling thuis op te nemen, en een project rond hartfalen, waarbij de patiënten thuis verder worden opgevolgd in nauwe samenwerking met het ziekenhuis.

Kristel besluit: “Om aan de toekomstige uitdagingen het hoofd te bieden, zal ook de opleiding moeten veranderen en een meer multidisciplinaire aanpak aan boord leggen. Thuisverpleegkundigen kunnen niet in alles gespecialiseerd zijn, maar door levenslang leren te stimuleren, bouwen ze wel ervaring en expertise op. Er is nog heel wat werk voor de boeg als we een multidisciplinaire aanpak, goede communicatie en meer middelen voor de thuiszorg willen bereiken, maar we zijn op de goede weg. Als de huidige situatie in de gezondheidszorg ons iets geleerd heeft, is dat verpleegkundigen zeer inventief zijn en alles in het werk zullen stellen om de reguliere zorg toch te laten doorgaan.”


Mannen en verpleegkunde

In maart lanceerde Vrouw en Maatschappij een campagne om meer mannen naar de zorg te lokken. Zo willen ze de vele vacatures in de sector ingevuld krijgen. Het aandeel mannen die actief zijn in de verpleegkunde ligt historisch gezien dan ook aan de lage kant. Toch merkte de Planningscommissie op dat het aantal mannen die voor het beroep kiezen, gestegen is. Voor heel België gaat het zelfs om een stijging van 40 procent. Waarom kiezen mannen voor verpleegkunde? En wat vinden ze er zo tof aan? Dat laten we hen graag zelf vertellen.

Peter Pauwels (53) uit Laarne

Nachtverpleegkundige in het UZ Brussel

Hoelang ben je al verpleegkundige?

29 jaar

Waarom koos je voor verpleegkunde?

Ik zorg graag voor mensen. Hen beter zien worden of hun toestand zien stabiliseren geeft voldoening. Ook het sociale contact is een grote motivator.

Wat vind je zo leuk aan je job?

Er is veel afwisseling op de werkvloer. Geen enkele dag is hetzelfde. De dankbaarheid van patiënten en hun families geeft ook enorm veel voldoening.

Hoe ga je om met de vooroordelen dat verpleegkunde een vrouwelijk beroep is?

Dat is gewoon zo. Ik heb me daar bij neergelegd. Al merk ik wel dat de jongere generatie er niet om maalt dat er af en toe een man aan hun bed staat.

Wat kunnen je vrouwelijke collega’s van jou leren?

Minder roddelen (lacht). Maar ik denk ook praktischer werken en minder snel in paniek slaan bij extreme gebeurtenissen. Als man kunnen we het werk misschien ook wel sneller voor het gezin zetten en zo is het makkelijker om voltijds te werken.

Hoe zou je andere mannen overtuigen om voor verpleegkunde te kiezen?

Als je houdt van sociaal contact en van je flexibel op te stellen in je uurrooster, dan is verpleegkunde de uitgelezen kans. Je hebt een brede waaier aan keuzes: ziekenhuizen, woonzorgcentra, thuiszorg en allerlei andere zorgcentra. Zo vind je gegarandeerd een organisatie die volledig bij je interesses past. Je krijgt bijscholing, nieuwe uitdagingen en wordt ondersteund om verder te studeren. En je hebt veel vrouwelijke collega’s.

Dieter Van der Voorde (28) uit Leuven

Student verpleegkunde aan Odisee

Hoelang ben je al verpleegkundige?

In september startte ik met de vierjarige bacheloropleiding in Brussel.

Waarom koos je voor verpleegkunde?

Voor mij was verpleegkunde na het middelbaar niet mijn eerste keuze, maar ik ben toch blij dat ik er uiteindelijk wel beland ben. Het voelt goed om een vak te studeren waarin je acties echt het verschil kunnen maken. Bovendien kan ik er mijn interesse voor anatomie en biologie combineren met mijn praktische ingesteldheid. De werkzekerheid is ook mooi meegenomen.

Wat vind je zo leuk aan je job?

Ik vind het zalig hoeveel er komt bij kijken. Je hebt zowel kennis nodig van anatomie en chemie, als van de wetgeving en de wiskunde. Daarnaast zijn sociale vaardigheden en een vaste hand natuurlijk noodzakelijk. Het is die constante uitwisseling en, af en toe toch wel, uitdaging tussen die verschillende domeinen, tussen mijn hoofd en mijn hart die het voor mij zo boeiend en interessant maken.

Hoe ga je om met de vooroordelen dat verpleegkunde een vrouwelijk beroep is?

Tot nu toe heb ik nog maar weinig gemerkt van een mannelijk tekort. We zijn op school wel met meer meisjes, maar ik ben zeker niet de enige jongen. En er zijn evengoed mannelijke docenten. Ook op mijn eerste stageplek was er toch een redelijk aantal mannen. Ik denk dat corona voor veel mensen ook wel een eyeopener was, toen ze zagen dat verpleegkundigen wel degelijk meer doen dan mensen wassen en bedden verplaatsen.

Wat kunnen je vrouwelijke collega’s van jou leren?

Ik denk en hoop dat ik de komende jaren vooral nog heel veel van hen zal leren (lacht).

Hoe zou je andere mannen overtuigen om voor verpleegkunde te kiezen?

Als je denkt dat het iets voor jou is, gewoon doen. Met mijn school- en stage-ervaring kan ik nu al zeggen dat er letterlijk ontelbare mogelijkheden zijn als verpleegkundige. Laat je vooral niet afschrikken door de stereotypes en vooroordelen. Maar het allergrootste pluspunt: als je ooit nota’s uitwisselt met medestudenten zijn ze altijd duidelijk geschreven.

Sam Van Ryssel (30) uit Antwerpen

Thuisverpleegkundige

Hoelang ben je al verpleegkundige?

10 jaar

Waarom koos je voor verpleegkunde?

Ik wilde een job waarbij ik de handen uit de mouwen kon steken. In het secundair ben ik afgestudeerd met een A2 Elektromechanica, maar daarin miste ik het sociaal contact. Toen kwam ik uit bij verpleegkunde en dit heb ik me nog geen dag beklaagd.

Wat vind je zo leuk aan je job?

Het sociale aspect spreekt me enerzijds enorm aan. Je komt overal bij de mensen thuis in hun persoonlijke levenssfeer. Het respect en waardering dat ik van de patiënten ontvang is een van mijn grootste drijfveer. Daarnaast vind ik het leuk om constant onderweg te zijn. Zo kom je ook wel eens overal terecht en leer je jouw buurt zeer goed kennen. Tot slot spreekt het zelfstandig statuut van de job mij enorm aan.

Hoe ga je om met de vooroordelen dat verpleegkunde een vrouwelijk beroep is?

Ik voel het vooroordeel eerder aan als een voorrecht. In een diverse samenleving in Antwerpen valt dat vooroordeel ook te verwaarlozen omdat in andere culturen dat net een mannenjob is. Ik kan perfect mezelf zijn in deze job en heb mijn geslacht nooit een belemmering ervaren.

Wat kunnen je vrouwelijke collega’s van jou leren?

Evenveel als mijn mannelijke. Ervaring kan je steeds doorgeven. Los van geslacht, geaardheid of religie.

Hoe zou je andere mannen overtuigen om voor verpleegkunde te kiezen?

Het is een job waarbij er elke dag een is vol nieuwe uitdagingen. Geen enkele dag is dezelfde. Voor een sociaal diertje dat graag zorgt voor anderen is dit de ideale job.

Dries Van Eyck (30) uit Bree

Verpleegkundige in WZC De Gerkenberg

Hoelang ben je al verpleegkundige?

Ik studeerde af in 2013 en ging aan de slag in het ZOL in Genk. Na enkele jaren ervaring maakte ik de switch naar ouderenzorg.

Waarom koos je voor verpleegkunde?

Ik koos voor verpleegkundige omdat ik al van jongs af aan mensen graag help door kleine dingen te doen. Het zorgzame zit in mijn DNA, zoals ze dat zeggen.

Wat vind je zo leuk aan je job?

Voor mij is het leukste aan de job mensen helpen die het moeilijk hebben door kleine, subtiele dingen te doen zoals het insmeren van de benen of rug met lotion of door tijd te nemen om te luisteren. Als ik vertrek, vind ik het fijn om weten dat die persoon er iets aan gehad heeft. En het is al helemaal geweldig wanneer die persoon je ook bedankt voor de zorgen, terwijl je als verpleegkundige vaak niet eens doorhebt wat voor impact je op dat moment hebt. Het zijn de kleine dingen, de dankbaarheid en waardering die de job maken zo schoon maken.

Hoe ga je om met de vooroordelen dat verpleegkunde een vrouwelijk beroep is?

Ik heb nog nooit last gehad van de vooroordelen. Soms komt het eens voor dat een persoon liever niet geholpen wil worden door een man, maar dan gaan we hier met het nodige respect mee om. Vaak volstaat het om even te polsen waarom dat zo is. Een kleine stap die heel wat angst kan wegnemen.

Wat kunnen je vrouwelijke collega’s van jou leren?

Ik probeer altijd het positieve te zien, in alle situaties. Dit gaat natuurlijk niet altijd even gemakkelijk, maar het helpt vaak om dingen te relativeren. In mijn ervaring trekken vrouwen, maar ook sommige mannen, zich meer dingen aan. Probeer het los te laten en alleen vat te krijgen op de dingen die voor jou belangrijk zijn. Hierdoor krijg je meer tijd om dingen te doen die echt een verschil maken. Voor jou en voor je medemens.

Hoe zou je andere mannen overtuigen om voor verpleegkunde te kiezen?

Verpleegkunde is niet alledaags, zeer gevarieerd en leerrijk. Wil je thuis komen en voelen en vertellen dat je een verschil hebt kunnen maken voor iemand, hoe klein ook, dan is verpleegkunde iets voor jou.


Verpleegkundigen en de arbeidsmarkt: cijfers en uitleg

De Cel Planning van het Aanbod van de Gezondheidszorgberoepen, de Dienst Gezondheidszorgberoepen en Beroepsuitoefening, de DG Gezondheidszorg en de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu publiceren samen een gedetailleerd rapport over de evolutie van het beroep als verpleegkundige en zorgkundige gedurende vijftien opeenvolgende jaren. Afgevaardigden uit beroepsorganisaties, waaronder ook het NVKVV, valideerden het rapport. Dat onderzoek brengt goed nieuws want er is een toename van het aantal verpleegkundigen.

De studie werd gepubliceerd in februari 2021 en heeft een basis van straf cijfermateriaal afkomstig uit verschillende overheidsinstellingen[1]. De cijfers gaan over een periode van 2004 tot 2018 en bestuderen hoeveel en in welke sectoren verpleegkundigen actief zijn. Een lijvig document dus waarin gedetailleerd alle verpleegkundigen op de arbeidsmarkt in beeld worden gebracht volgens leeftijd, geslacht, gewest, gemeenschap, diploma, activiteit, beroepsstatuut, enzovoort. Wat blijkt? Het aantal verpleegkundigen actief in de gezondheidszorg in België steeg tussen 2004 en 2018 met 32 procent: van 95.718 naar 126.496. De gemiddelde verpleegkundige is anno 2018 niet veranderd. “Uit analyse van de cijfers blijkt dat de gemiddelde verpleegkundige nog steeds een Belgische vrouw is tussen de 35 en 50 jaar, actief in een ziekenhuis en in het bezit van een Belgisch bachelorsdiploma”, zegt onderzoekster en statisticus Veerle Vivet. “Toch moeten we dit nuanceren. Wanneer we spreken over ‘de gemiddelde verpleegkundige’ gaan we onvermijdelijk voorbij aan de tendensen die zich de afgelopen jaren hebben ingezet. Zo merkten we op dat het aantal 55-plussers verdubbeld is en dat hun aandeel in de actieve beroepsbevolking is toegenomen van 5 procent in 2004 naar bijna 20 procent in 2018. De leeftijdscategorie 50-54 toont een verdubbeling over de beschouwde periode. Voor de leeftijdscategorie 55-59 jaar is dit zelfs een verviervoudiging.”

De onderzoekers merkten ook een stijging op met het aantal verpleegkundigen met een niet-Belgische nationaliteit. Hoewel in de Vlaamse gemeenschap de toename van niet-Belgische verpleegkundigen groter is dan in de Franse gemeenschap, blijft het een zeer kleine groep (2 procent in 2018). In de Franse Gemeenschap zien we dat één op acht verpleegkundigen een buitenlandse nationaliteit heeft. “Zij maken geen deel uit van de gemiddelde verpleegkundigen, maar de verschillende evoluties in beide landsdelen zijn op zijn minst even boeiend”, zegt Veerle nog.

Drie grote groepen

De geanalyseerde data werd onderverdeeld in drie analysegroepen: Licensed To Practice (LTP), Professionally Active (PA) en Practising (PR). De LTP-groep zijn de beroepsbeoefenaars die gemachtigd zijn om het beroep van verpleegkundige uit te oefenen. Dit zijn alle personen in het bezit van een diploma verpleegkunde en met de Belgische nationaliteit of een visum, gemachtigd om het beroep uit te oefenen. Personen die nog een masterdiploma arts, tandarts of apotheker hebben, worden hier niet opgenomen omdat de onderzoekers er van uitgaan dat deze mensen het beroep van hun masterdiploma uitoefenen.

Wat is de Planningscommissie?

De Planningscommissie onderzoekt de behoeften op het vlak van medisch aanbod voor een aantal zorgberoepen, waaronder verpleegkundigen. Voor ieder zorgberoep zijn er werkgroepen opgericht. De Planningscommissie werd opgericht in 1996 en kijkt naar de evoluties in de medische zorg, de kwaliteit van de zorgverstrekking en de demografische en sociologische evoluties van zorgberoepen.

Acht op tien zelfstandigen kampt met stress en vermoeidheid

Na een heleboel noodkreten besloot zelfstandigenorganisatie Unizo een online enquête op te stellen. Zo wilden ze peilen naar het welzijn van zelfstandigen tijdens de coronacrisis. Wat blijkt: 84 procent heeft sinds de coronacrisis meer last van stress en vermoeidheid. Zo’n 44 procent heeft het gevoel dat het hen allemaal te veel wordt. Enerzijds liggen de strenge maatregelen aan de basis, anderzijds spelen ook financiële zorgen en het gebrek aan vooruitzicht mee. Veel zelfstandigen zouden gebaat zijn met psychologische hulp. Om deze zorg toegankelijker te maken gaat Unizo de samenwerking aan het met VVKP, de beroepsvereniging van klinisch psychologen.

Meer starters in zorgberoepen in Brussel

België telde in 2020 zo’n 106.788 nieuwe eenmanszaken en vennootschappen. Starters dus, die voor een zelfstandige activiteit kozen. In Brussel zaten daar enkele opvallende positieve cijfers bij. Zo merkten Unizo en de Federatie Vrij Beroepen (FVB) een sterke stijging op van de vrije beroepen in de zorgsector. Het aantal zelfstandige verpleegkundigen groeide tot 723, een stijging van 131 verpleegkundigen of 18,1 procent. Unizo en de FVB stelden een advies op met aandachtspunten voor de ondersteuning van zelfstandige zorgverleners. Ze pleiten voor meer aandacht aan aspecten van bedrijfseconomie in de opleiding. Ook het parkeer- en mobiliteitsbeleid moet in de hoofdstad verbeterd worden om aan deze beroepsgroep tegemoet te komen. Daarnaast moet er ook een ondersteuning komen van multidisciplinaire samenwerking, al dan niet op een digitale manier en in functie van zorgverlener en zorgvrager.

Binnen de populatie wordt ook een onderscheid gemaakt tussen enerzijds de beroepsactieve verpleegkundigen in loondienst of als zelfstandige en anderzijds de beroepsbeoefenaars actief in de gezondheidszorg als verpleegkundige. Deze laatste groep bevat elke loontrekkende, actieve verpleegkundige met minstens één werkgever in de gezondheidszorgsector en elke zelfstandige, actieve verpleegkundige met een minimumaantal geboekte RIZIV-prestaties (817 in 2018) in de nomenclatuur verpleegkunde per jaar. In de drie analysegroepen werd ook gekeken naar het aantal verpleegkundigen dat voltijds in dienst is en naar de geboekte prestaties van zelfstandige verpleegkundigen. Dat werd voor een voltijds equivalent gelijkgesteld met 8.170 prestaties en een terugbetaald bedrag van 75.781 euro.

Deze onderverdeling leidde tot volgende resultaten. Voor de groep “licensed to practice” lag in 2018 het aantal op 214.325 personen, waarvan 126.916 in Vlaanderen. Hiervan heeft 3 procent niet de Belgische nationaliteit. Het aantal vrouwen ligt op 86 procent. Wat “professionally active” betreft, telt de Belgische arbeidsmarkt in 2018 zo’n 148.782 verpleegkundigen die beroepsactief zijn. Daarvan maken 91.431 verpleegkundigen deel uit van de Vlaamse Gemeenschap. Zo’n 81 procent van de actieve verpleegkundigen werkte als loontrekkende, 11 procent als zelfstandige en 8 procent combineerde een activiteit als loontrekkende met een activiteit als zelfstandige. Het aantal verpleegkundigen actief in de gezondheidszorg (“practising”), tot slot, bedraagt 126.496, waarvan 76.727 in de Vlaamse Gemeenschap. Het aantal verpleegkundigen actief in de gezondheidszorg is gelijk verdeeld per leeftijdscategorie. Verpleegkundigen die uitsluitend een activiteit als werknemer uitoefenen, vertegenwoordigen 81 procent. Verpleegkundigen die een zelfstandige activiteit uitoefenen 10 procent en verpleegkundigen met een gemengd statuut 9 procent.

Belangrijke lessen

Al bij al lijkt het dat de verpleegkunde er niet zo slecht voor staat. Waarom merken we binnen de eerste vijf jaar van een loopbaan dan toch zo’n grote uitstroom op in de zorg? Veerle Vivet: “Die uitstroom is het gevolg van de veroudering van de arbeidsbevolking geboren tussen 1945 en 1960, de zogenaamde babyboom. Dit zullen we ook in andere sectoren op de arbeidsmarkt beginnen opmerken, niet enkel in de gezondheidszorg en niet enkel voor verpleegkundigen. We moeten ook aandacht hebben voor de instroom. We zien in de tabellen en grafieken van het rapport dat het beroep er in geslaagd is om enerzijds voldoende instroom te voorzien en anderzijds de actieve beroepsbevolking van 50-plussers in het beroep te houden. In de Franse Gemeenschap is deze tendens iets groter dan in de Vlaamse Gemeenschap. De redenen waarom dit zo is, worden nog besproken in de betrokken werkgroepen van de Planningscommissie.”

Uit de cijfers kunnen tot slot ook belangrijke lessen getrokken worden, zoals het efficiënter inzetten van verpleegkundigen. Zo valt af te leiden in welke arrondissementen en provincies er een hoge of lage dichtheid van verpleegkundigen is. “Dit rapport is zeker geen eindpunt”, zegt Veerle Vivet nog. “Integendeel, het is de start van een diepgaande analyse. Het biedt een overzicht van het aanbod aan verpleegkundigen en hun activiteiten in België over een periode van veertien jaar. Een tweede stap die we met de werkgroep verpleegkunde en de Planningscommissie zullen ondernemen, is de ontwikkeling van toekomstscenario’s, die meer inzicht zullen geven in de vraag naar verpleegkunde.”

Het huidige rapport focust voornamelijk op het aanbod aan verpleegkundigen, maar er wordt op dit moment al werk gemaakt van een tweede stap: een scenario dat de dimensie van de vraag naar verpleegkundigen toevoegt. “Daarin laten we beleid zoveel mogelijk buiten beschouwing. De projecties zijn vooral een verderzetting van de historische tendensen, bedoeld om knelpunten zichtbaar te maken. Een derde stap is het ontwikkelen van alternatieve scenario’s die een visie op het beleid, de zorgvraag en het zorgaanbod omvatten. Het eindresultaat van deze verschillende stappen zal in eind 2021, begin 2022 beschikbaar zijn voor het grote publiek. Maar voor nu kunnen we concluderen dat de toename van het aantal verpleegkundigen vooral te wijten is aan het langer actief blijven op de arbeidsmarkt.”

 

[1] De cijfers komen uit de Federale databank van de beoefenaars van de gezondheidszorgberoepen (Kadaster). Deze werden gekoppeld met gegevens uit het Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale bescherming en het RIZIV.