Medische hulpmiddelen: wie betaalt wat?

De terugbetaling van medische hulpmiddelen is complexe materie waarvoor heel wat te zeggen valt. Hulpmiddelen is dan ook een zeer divers thema dat zowel onder het federale als Vlaamse terugbetalingssysteem valt. Eenduidige antwoorden formuleren is moeilijk. Toch helpen we je, samen met Katrien De Koekelaere van de Christelijke Mutualiteit, graag op weg naar de juiste informatie.

Wat is een medisch hulpmiddel?

Eerst en vooral verdient het begrip medisch hulpmiddel een definitie. Volgens het FAGG (Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten) is een medisch hulpmiddel een gezondheidsproduct dat zijn medische werking te danken heeft aan een mechanisch middel. Zoals een pleister, een prothese, een externe defibrillator, enzovoort. Het gaat om elk instrument, toestel of apparaat dat helpt in de diagnose, preventie, bewaking, behandeling of verlichting van een ziekte, verwonding of handicap. Europa deelt hulpmiddelen in in vier klassen, volgens gevaarlijkheid.

  • Klasse 1: kompressen, rolstoelen, elastische verbanden, herbruikbare scalpels, …
  • Klasse 2A: contactlenzen, huidnietjes, kronen, hoorapparaten, …
  • Klasse 2B: hemodialysetoestellen, infuuspompen, condooms, inwendige hechtingen, …
  • Klasse 3: borstimplantaten, actieve coronaire stents, heupprothesen, …

Daarnaast worden hulpmiddelen ook ingedeeld volgens soort. Er zijn de niet-implanteerbare middelen, zoals verbanden, brillen, hoorapparaten, ademhalingstoestellen, ziekenhuisbedden, rolstoelen, enzovoort. Tot de implanteerbare hulpmiddelen behoren dan alle hulpmiddelen die na een ingreep minstens dertig dagen in het lichaam blijven. Denk maar aan heupprothesen, intraoculaire lenzen, pacemakers, binnenoorprothesen, defibrillators, … Er bestaan ook medische hulpmiddelen naar maat. Het zijn gezondheidsproducten die enkel voor een bepaalde zorgvrager gebruikt worden, zoals een tandprothese, steunzolen, orthopedische schoenen, enzovoort. Tot slot onderscheiden we nog medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek. Het gaat om middelen die gebruikt worden om stalen van een zorgvrager te kunnen onderzoeken. Voorbeelden zijn een zwangerschapstest, een test om de bloedsuikerspiegel te meten, …

Wie betaalt wat?

Nu we weten hoe hulpmiddelen gedefinieerd worden, kunnen we inzoomen op de terugbetaling. Enerzijds zijn er hulpmiddelen die via de verplichte ziekteverzekering terugbetaald worden. Voor bepaalde hulpmiddelen moet je een beroep doen op een aanvullende of facultatieve verzekering. Denk maar aan een hospitalisatieverzekering, tandverzekering of medische reisbijstand. Anderzijds is voor bepaalde hulpmiddelen een terugbetaling via het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) voorzien. Wie dus tussenkomt en hoeveel, hangt dus sterk af van het hulpmiddel in kwestie.

Federale ziekteverzekering

Heel wat hulpmiddelen vallen onder de bevoegdheid van onze verplichte ziekteverzekering. Niet-implanteerbare medische hulpmiddelen die terugbetaald worden zijn onder meer bepaalde verzorgingsmaterialen zoals haarprothesen, zuurstofconcentratoren, pompen en cassettes voor geneesmiddelen, inhalatieoplossing van hypertonisch natriumchloride voor personen met mucoviscidose, gipsmateriaal, medische zuurstof, draagbare diffusors en cassettes voor het toedienen van antibiotica aan personen met mucoviscidose. Ook blaasspoelmiddelen, steriele insulinespuiten en sondes voor autosondage thuis worden terugbetaald. Daarnaast zijn er ook een aantal diagnostische hulpmiddelen waar je een tussenkomst voor kan krijgen, zoals bloeddrukmeters, bloedglucosemeters, lancethouders, glucosecontrolestrips en lancetten. Personen die in een zorgtraject diabetes type 2 zitten, krijgen hun zelfzorgmateriaal ook terugbetaald wanneer ze behandeld worden met insuline of een incretinemimeticum. Personen ouder dan 18 jaar die thuis urinesondage uitvoeren krijgen maximaal vijf sondes per dag terugbetaald. Wie stomamateriaal nodig heeft, beschikt over een driemaandelijkse virtuele portefeuille voor specifiek materiaal aan te kopen. Dat budget wordt bepaald door de behandelende arts. Implantaten en invasieve medische hulpmiddelen worden volgens verschillende systemen terugbetaald.

Meer concrete informatie vind je via de nomenclatuur op de website van het RIZIV.

Hoorapparaten

Ook voor hoortoestellen kan een tussenkomst geregeld worden. Met een voorschrift van een NKO-arts, gaat de zorgvrager langs bij een erkend audicien. Deze maakt een testverslag op dat aan de NKO-arts wordt bezorgd. Die beslist dan op zijn beurt of de zorgvrager al dan niet een hoorapparaat nodig heeft. Dit gebeurt aan de hand van enkele criteria. Zo moet het gehoorverlies minstens 40 decibel bedragen en moet het hoorapparaat een winst van minimaal 5 decibel opleveren. De aanvraag belandt vervolgens bij een adviserend arts van het ziekenfonds. Wordt dit goedgekeurd en werd het hoorapparaat geplaatst? Dan pas kan de zorgvrager de tegemoetkoming aanvragen. Wie nog geen 18 jaar is kan elke 5 jaar een nieuw hoortoestel aanvragen. Wie ouder is kan dat om de 3 jaar doen. Wie nog meer terugbetaling wenst, kan daar een extra verzekering voor afsluiten.

Hulpmiddelen voor personen met een handicap

Personen met een handicap kunnen een beroep doen op terugbetalingen via het VAPH. Zij bieden op hun website met een overzichtelijke hulpmiddelendatabank een goed overzicht van alle mogelijke hulpmiddelen die er bestaan voor personen met een handicap en voor hun verzorgers en begeleiders. Gaande van verzorging, huishouden en computers tot slaapcomfort, telefonie en voedsel. Let op: niet alle middelen genieten van een tussenkomst. Wat wel en niet terugbetaald wordt staat in een refertelijst. Die lijst is ingedeeld in activiteitendomeinen en er staat telkens duidelijk bij hoe groot het maximumbedrag (refertebedrag) van de tegemoetkoming is. De refertetermijn geeft aan hoelang het hulpmiddel gebruikt kan worden. Opgelet, rolstoelen en andere mobiliteitshulpmiddelen vallen onder de bevoegdheid van de Vlaamse Sociale Bescherming (VSB).

De refertelijst raadpleeg je via vaph.be/hulpmiddelen/refertelijst.
De hulpmiddelendatabank raadpleeg je via
vaph.be/hulpmiddelen/databank.


Zorgtechnologieën onder een ethische loep

Technologische innovaties zijn schering en inslag in de huidige Westerse gezondheidszorg. De innovaties streven naar een betere en meer kwalitatieve zorg of naar het verhelpen en behandelen van gezondheidsproblemen. Toch roepen verschillende van deze innovaties  ethische vragen op. Tijs Vandemeulebroucke bestudeerde samen met prof. dr. Yvonne Denier en prof. dr. Chris Gastmans deze ethische kaders in een onderzoek aan de KU Leuven.

Technologische gezondheidsinnovaties vinden plaats op het vlak van medische behandelingen  (gentherapie of pharmagenetica), medische testing, en op het vlak van gebruiksmaterialen, medische en zorghulpmiddelen (robotica en body sensors) en informatievergaring en verwerking (e-health, big data). Al deze technologieën worden met een specifiek doel ontwikkeld: de patiënt of zorgbehoevende beter en efficiënter helpen. Er zijn verschillende ethische studies voor handen over technologische gezondheidsinnovatie(s), maar een ruimer praktisch kader voor zorgverleners ontbreekt. En net dat willen Tijs Vandemeulebroucke, Yvonne Denier en Chris Gastmans in het leven roepen.

“Veel ethische studies hebben ofwel een bepaalde innovatie als focus of ze hanteren een generieke aanpak om een bepaalde categorie aan innovaties te screenen of te evalueren”, zegt Tijs Vandemeulebroucke, voormalig onderzoeker aan het Centrum voor Biomedische Ethiek en Recht van de KU Leuven en vandaag onderzoeker aan het nieuwe Sustainable AI Lab van de Universiteit van Bonn in Duitsland. “Wij gingen kijken welke ethische kaders voor de screening of evaluatie van technologische gezondheidsinnovaties bestaan, waarop deze  focussen, en wat hun ethische inhoud is. Met een systematische literatuurstudie van de relevante internationale wetenschappelijke literatuur bestudeerden we in een eerste fase 56 publicaties met een eigen analysetool als wegwijzer. We definieerden voor elke studie verschillende kenmerken waaronder, de ethische theorie of traditie en bijhorende principes, de methodologie, de achtergrond, de effectiviteit, de motivatie en de doelen waarvoor een kader werd ontwikkeld en gebruikt. Dit hielp ons om een duidelijk overzicht te krijgen en belangrijke conclusies te trekken die we in een tweede fase van het onderzoek aan onze stakeholders en experts voorlegden. Die groep was een perfecte weerspiegeling van de maatschappij, met vertegenwoordigers uit de farmaceutische sector, de zorg, de technologie- en healthtechsector, beleidsmakers, enzovoort. Uit die dialoog tussen de theorie en de praktische interpretatie ervan formuleerden we een 80-tal aanbevelingen voor een mogelijks Belgisch-Vlaams ethisch kader met een zestal focusvragen: (1) Waarom een ethisch kader voor gezondheidstechnologie moet worden ontwikkeld of gebruikt?; (2) Hoe specifiek moet een ethisch kader zijn?; (3) Wanner in het innovatieproces moet een ethisch kader worden gebruikt?; (4) Welke moet de ethische inhoud (principes en waarden) van een ethisch kader zijn?; (5) Hoe moet een ethisch worden gebruikt?; (6) Wie moet het ethisch kader gebruiken?.”

Voorbij privacy en autonomie

De onderzoekers merkten in de laatse 10 jaar een grote groei van het aantal gepubliceerde ethische kaders. Logisch ook, want er waren meer technologische ontwikkelingen. “Die ethische kaders kwamen er uit filosofisch-ethische hoek, maar we merkten dat ook de disciplines gerelateerd aan de zorgsector kaders ontwikkelden . Zulke evoluties brengen namelijk vragen met zich mee en de nood aan een praktisch kader dringt zich op”, zegt Tijs. “Die vragen situeren zich vaak rond privacy en autonomie van de zorgvrager en de zorgverlener. Niettemin voldoen technologische gezondheidsinnovaties ook  altijd aan andere opvattingen in de maatschappij. Denk maar aan de corona-app. Die belichaamt eigenlijk de sociale dynamiek tijdens de pandemie en de noden van veiligheid en duidelijkheid die we toen hadden. Het duidt de relatie tussen de overheid en het individu.”

Hoe zou een kader voor Vlaanderen er nu uitzien? “Gebaseerd op het onderzoek kunnen we zeggen dat een ethisch kader bruikbaar moet zijn in alle fasen van een technologische gezondhedsinnovatie zoals ontwerp, ontwikkeling, implementatie, gebruik, enz. en alle niveaus van mogelijke ethische impact, maatschappelijk, organisatorisch, individueel in ogenschouw moet nemen. ”, duidt Tijs. “. Denk bijvoorbeeld aan de aankoop van een robot in een woonzorgcentrum. Op een maatschappelijk  niveau stel je jezelf als instelling daar de vragen: waarom doen we dit, is er nood aan, zal het de zorg verbeteren, is er druk van buitenaf om dit te doen? Ook op een organisatorisch niveau moet je een en ander aftoetsen aan je beleidsvisie. Wat doen we wel of niet, is het om een personeelstekort op te vangen of gaat het om een technologische fix, zullen we efficiënter werken, wat met privacy, hoeveel kost het? Tot slot speelt ook het individuele niveau. Hier komt privacy terug, maar ook een eventuele overafhankelijkheid van technologie. Door op die innovaties te vertrouwen en hen bepaalde capaciteiten toe te dichten kan je een soort verslaving in de hand werken. Dan moet je gaan kijken hoe je dat individu zal begeleiden.”

Eigenlijk komt het hier op neer: een technologie, zoals een app of een robot, kan men verglijkingen met een geneesmiddel. Bij goed gebruik heeft dit positieve gevolgen, bij een slecht gebruik of misbruik, kan het een drug zijn. “We hebben een hele structuur op poten gesteld om geneesmiddelen te evalueren. Waarom doen we dat dan niet voor technologische gezondheidsinnovaties?”

Rol van de verpleegkundige

Volgens Tijs spelen verpleegkundigen een belangrijke rol in de zorgethiek. “Zij zijn zeer toegankelijke zorgverleners en altijd raadpleegbaar. Ze spelen een bemiddelende rol tussen de patiënt, dokter en directie. Maar ook zij moeten kijken welke waarden voor hen belangrijk zijn. Zeker op individueel vlak. Ze kunnen dit proactief doen wanneer een bepaalde innovatie geïmplementeerd wordt, maar ook retroactief moedigen we dit aan. Ook dan is een ethische houding en reflex belangrijk om te kijken of die technologie wel goed benut wordt.

Of technologische innovaties het zorglandschap definitief zullen veranderen en artsen overbodig zullen maken? “Neen dat geloof ik niet. Er zijn wel evoluties in de diagnostiek, maar het zijn eerder hybride vormen. Denk maar aan huidscanapps, die je aanraden om een afspraak te maken bij een dermatoloog. Als we met apps en technologie dokters willen vervangen, dan begeven we ons in zeer troebel water, juridisch en ethisch gezien. Want wie is verantwoordelijk bij een foute diagnose? Technologie is geavanceerd, maar we mogen niet vergeten dat het een gebruiksvoorwerp is om de zorg uit te voeren of te verbeteren.”

Lessen uit de geschiedenis

Het lijkt erop dat de voorbije decennia verschillende technologiën zijn opgedrongen. Technologieën worden niet meer per se ontwikkelt vanuit een bepaalde sociale nood. Eerder worden er nu eerst mogelijke noden gecreëert voor een bepaalde technologie.“Denk maar aan Facebook. Plots was het daar en vond het zijn weg in onze levens. Nu kunnen we ons sociale leven amper nog voorstellen zonder Facebook en soortgelijke platformen”, zegt Tijs. “In de zorg moeten we opletten met die ontwikkelingen. Zorgtechnologie moet ontstaan uit een bepaalde zorgnood  Ze mag ons niet  worden opgedrongen zoals robotica of big data. Een programma als Flanders’ Care stemt die noden af bij de industrie.”

Of all vormen en types van technologie de gezondheidszorg verbetert, wil Tijs niet hebben gezegd. Wel vindt hij dat we een onderscheid moeten maken tussen een wenselijkheidsethiek en een zorgvuldigheidsethiek met betrekking tot technologische gezondheidsinnovatie. “We moeten ons blijven afvragen of een technologie wel wenselijk en nodig is en die met de nodige afstand bekijken. Pas daarna kan er dan worden gefocust op mogelijke specifieke ethische spanningen, bijvoorbeeld impact op autonomie en waardigheid, om een zorgvuldige ontwikkeling en gebruik te garanderen. Er komt veel technologie op ons af. Daar kunnen we niet om heen en soms is het moeilijk die dynamiek te vatten. Daarom moeten we er kritische en zorgvuldig mee omgaan en zijn die ethische kaders belangrijk.”

 

Raadpleeg de volledige studie.


“Koppel de behandeling los van het eetmoment”

Het bereiden van maaltijden in zorginstellingen wordt in België en Nederland anders aangepakt. Waar in België nog vaak zelf gekookt wordt, wordt dit in Nederland uitbesteed. Dat was een historisch proces, waardoor spelers zoals Daily Fresh Food nieuwe concepten konden lanceren op maat van ziekenhuizen, woonzorgcentra en gehandicapteninstellingen. Algemeen directeur Frans Hochstenbag legt ons de voordelen van dergelijke dienstverlening uit, voor zorginstellingen en voor patiënten.

Daily Fresh Food is een producent en leverancier van verse producten en maaltijden in de care en cure-sector. Alles wordt bereidt volgens de sous-videtechniek, ook wel vacuümgaren genoemd. Het te bereiden voedsel wordt hierbij in een plastic zak gedaan, vacuüm getrokken en gestoomd. Zo blijven de smaken in de maaltijd aanwezig en kan je alles tot tien dagen lang bewaren. “We leveren zowel volledige maaltijden en menu’s als verschillende componenten om maaltijden samen te stellen”, zegt Frans Hochstenbag. “Sous-vide is de meest gezonde bereiding van voedsel, zonder dat je inboet aan smaken. Want gezond eten moet ook lekker zijn.”

In Nederland werkt Daily Fresh Food samen met diëtisten en voedingsdeskundigen om een menu samen te stellen dat rekening houdt met verschillende diëten. De meest voorkomende in zorginstellingen zijn lactose- en glutenintolerantie en natriumarm eten. Door verschillende componenten voor maaltijden aan te leveren, kan ook rekening gehouden worden met bijvoorbeeld personen met diabetes. “Die componenten kunnen we onderling ook wisselen. Wil de patiënt liever het vlees van menu A en de groenten van menu B, dan kan dit zonder problemen. Ook een extra portie groenten kan geregeld worden”, zegt de CEO nog. “We zitten vandaag in een zorglandschap waar de patiënt meer en meer de regie over de eigen zorg in handen neemt. Met zo’n concept voor maaltijden speel je daar op in. Je creëert meer flexibiliteit en de patiënt eet waar hij of zij zin in heeft.”

Efficiënter en minder afval

In Nederland kwam deze dienstverlening op gang na een herfinanciering van de ziekenhuizen vanuit de overheid. De regie over de keuken en het voedsel mochten ziekenhuizen zelf blijven organiseren, maar het koken moest uitbesteed worden. In België werkt alles nog met aanbestedingen voor de verschillende onderdelen van eten in ziekenhuizen en woonzorgcentra. “Het is een complex systeem, maar een concept als dat van ons heeft zeker kans op slagen”, zegt Frans. “Vandaag leveren we al aan GZA, ZOL, UZ Brussel en AZ Turnhout.” Het bereiden en verdelen van maaltijden uit handen geven komt ook de organisatie van een zorginstelling ten goede. “Als je centraal kookt, heb je zes stromen van maaltijden die naar kamers gebracht worden en terug afgeruimd worden. Dat vraagt veel bezetting. Terwijl bedrijven als dat van ons hierin gespecialiseerd zijn waardoor het werk efficiënter verloopt.”

De gerechten die sous-vide bereid worden bevatten veel eiwitten, wat het herstelproces van de patiënt bevordert. Daarnaast draagt ook lekker en gezond eten bij tot een algemeen gevoel van welbevinden. En ook dat heeft een impact op de genezing. Daily Fresh Food biedt ook à la carte eten aan dat binnen de 15 minuten aan je bed geleverd wordt. Via een tablet stel je als patiënt je eigen menu samen uit verschillende componenten, op elk moment van de dag. Zo kies je wat je eet en wanneer je eet. “Ziekenhuizen koken zeker niet slecht, maar het blijft grootkeuken. En je zit steeds met een koude lijn. Je bereidt eten dat je eigenlijk altijd gaat opwarmen op het moment dat het naar de patiënt vertrekt. In andere gevallen staat het eten gewoon koud te worden, want de patiënt is op het moment dat de maaltijd geserveerd wordt bijvoorbeeld op weg naar een behandeling. Veelal heeft hij of zij dan geen zin meer om te eten, omdat het koud is of gewoon niet lekker meer smaakt.” En net dat brengt een grote berg afval en verspild voedsel met zich mee. Iets wat de zorginstelling en de maatschappij veel geld kost.

Frans Hochstenbag besluit: “Geef de patiënt dus ook hier de regie in handen. Hij of zij zal de maaltijd met smaak opeten en dus ook sneller herstellen. Laat de patiënt dan ook eten zoals thuis en koppel de behandeling los van het eetmoment.”

Wat zegt de voedingsdeskundige?

Katrien Docx is diëtiste en kok van opleiding. Ze werkt in WZN Edegem als coördinator facilitaire diensten en laat haar licht schijnen over oplossingen zoals Daily Fresh Food. “De sous-videtechniek is zeker niet de meest gezonde. Het is wel een goede manier om vlees en vis lekker sappig te maken. En je behoudt je voedingswaarden, net zoals in een traditionele keuken. Wanneer je in een Belgische zorginstelling met een koude lijn werkt, is het wettelijk bepaald dat je binnen de 2 uur het voedsel onder de 10 graden moet krijgen om alle voedingswaarden te waarborgen”, zegt Katrien.

Eiwitten zijn zeer belangrijke voedingsstoffen voor wondheling en spieropbouw. Het is dan ook logisch dat hier bij alle zorginstellingen extra aandacht aan besteed wordt. “Of je de maaltijd nu sous-vide of traditioneel bereidt, het eiwitgehalte blijft hetzelfde. Het is belangrijker om een gevarieerd menu aan te bieden zodat zorgvragers en bewoners kunnen kiezen tussen lekkere, evenwichtige maaltijden. Zo zullen ze zeker goed eten en voldoende voedingsstoffen binnenkrijgen. En dat draagt inderdaad bij aan het herstel en aan het geluksgevoel van mensen.”

Deze dienstverleningen roepen toch ook enkele vragen op. Niet in het minst op milieuvlak. “Je verbruikt veel plastic en dat kan toch niet goed zijn voor de ecologische voetafdruk van een zorginstelling? Al is er misschien wel enige nuance nodig. Omdat alle componenten langer houdbaar zijn, heb je minder transport nodig en ik geloof ook dat je veel minder afval hebt omdat je enkel regenereert wat besteld is. Misschien compenseert dat. Daarnaast zit ik ook wel in met de kwaliteit van bepaalde types voedsel. Wat doe je bijvoorbeeld met gepaneerde ingrediënten? Die kan je moeilijk sous-vide bereiden en veel mensen vinden een kroketje of gepaneerde vis toch ook lekker. Bij zulke leveranciers heb je ook altijd dezelfde smaak, waardoor je minder kan inspelen op wat de zorgvragers en bewoners willen. In ons woonzorgcentrum merken we snel wat de bewoners wel of niet lekker vinden. We kunnen kort op de bal spelen en onze recepten bijsturen.”

Al bij al vindt Katrien dat er voor beide manieren van bereiden iets te zeggen valt. “Alles hangt af van de noden van de zorginstelling. Idealiter gaan we voor een combinatie. Zoals vacuümgetrokken vlees of vis samen met traditioneel bereide groenten of aardappelen. Of voor een ontbijt en lunch in een klassieke keuken en het avondmaal via een dergelijke dienst.”


Waarom ijs leggen niet altijd een goed idee is

Je patiënt verzwikt zijn of haar enkel. Je eerste reactie is om een ijskompres te leggen en de zwelling tegen te gaan. Een logische reactie, of toch niet? Er verschijnen steeds meer wetenschappelijke studies die de helende krachten van ijs en het RICE-principe (rust, compressie, immobilisatie en elevatie) tegenspreken. Huis- en sportarts Tom Teulingkx zet de feiten voor ons op een rijtje.

IJs leggen op een blessure is een discussie die in wetenschappelijke kringen al langer aan de gang is. Als het van heel wat studies afhangt, laten we die ijskompressen dan ook beter achterwege. Ze tonen aan dat ijs leggen de genezing van een kneuzing of verzwikking zou vertragen. In 2011 bleek uit onderzoek nog dat mensen die een gescheurde spier met ijs behandelden dezelfde pijn en hersteltijd hadden als mensen die dezelfde spierscheur met rust lieten. Onlangs vond een onderzoek plaats bij muizen, die een vergelijkbare spierstructuur hebben als mensen. Met elektriciteit werd een spierscheur gesimuleerd in hun pootjes. De ene helft van de dieren werd behandeld met ijs, de andere helft moest de scheur zo laten genezen. Die laatste groep bleek sneller te herstellen.

Tom Teulingkx is sportarts en voorzitter van SKA, de vereniging voor sport- en keuringsartsen, en hij erkent deze wetenschappelijke discussie. Welke stroming precies gelijk heeft, kan hij niet zeggen. Al zijn er wel enkele duidelijke richtlijnen. “We zijn er altijd van uitgegaan dat bij een kneuzing of verzwikking het RICE-principe de beste kans op herstel biedt”, zegt de arts. “Toch moeten we dat nuanceren. IJs zal wel degelijk de ontsteking tegen gaan, maar het zal ook de genezing van het letsel belemmeren. Een ontsteking is een natuurlijk proces van ons lichaam. De verhoogde doorbloeding voert enerzijds afvalstoffen af en brengt anderzijds stoffen mee die voor genezing zorgen. Daar hoort ook roodheid, warmte en pijn bij. Geen aangename symptomen. En daar moet je als zorgverlener net een middenweg in zoeken: hoe help je de patiënt met pijn comfortabel vooruit, zonder het herstel te vertragen?”

IJslolly’s

Om aan die middenweg te voldoen raadt Tom Teulingkx aan om enkel in de acute fase ijs te leggen. Doe dat dan niet met ijskompressen rechtstreeks op de huid, want dat geeft brandwonden. Het is beter om ijs te gebruiken dat smelt op je huid. En dit drie maal per dag gedurende maximum vijf minuten. “Je kan bijvoorbeeld water in een plastic beker gieten, daar een houten spatel of stokje in doen en dat zo invriezen. Dan krijg je een soort ijslolly die je over de kneuzing of verzwikking wrijft. Doe dit enkel de eerste 24 uur en zeker geen hele week. Zo verminder je de pijn in die acute fase van het letsel.”

Daarnaast waarschuwt de sportarts ook nog voor het gebruik van ontstekingsremmers. Hij merkt steeds vaker dat mensen bij een kneuzing of verzwikking meteen naar medicatie grijpen. “Zo’n ontstekingsremmer gaat net het herstel tegen. Heb je veel pijn? Kies dan eerder een pijnstiller met paracetamol en neem dit ook niet langer den 72 uur”, zegt Tom nog. “Ontstekingsremmers kunnen nefast zijn voor het hart en de nieren. Je moet er dus zeer voorzichtig mee omgaan.”

Blijven bewegen

Staan de andere factoren van het RICE-principe dan niet onder druk? “Rust is zeker belangrijk. Toch moet je actief gaan mobiliseren. Compressie geeft extra comfort en een elastische tape of brace kunnen helpen om passief te gaan bewegen”, zegt de sportarts. “Toch raden we gipsen absoluut af, behalve bij breuken. Gipsen immobiliseren de patiënt en kunnen het gewricht verzwakken. Het beste is om te blijven bewegen, eventueel met een rustig ritje op een hometrainer, zodat de natuurlijke processen van je lichaam hun werk kunnen doen. Ook voor of tegen elevatie valt het een en ander te zeggen. Je hartslag voelen kloppen in je enkel is geen aangenaam gevoel en je voet omhoog leggen kan dan helpen. Toch heb je die doorbloeding wel nodig om te herstellen. Natuurlijk moet je geval per geval bekijken. IJs is zeker geen boosdoener en kan in die acute fase soelaas bieden. Maar langdurig gebruik wordt zeker afgeraden. Dat is een leerproces dat er bij zorgverleners al ingebakken zit en nu nog tot bij de algemene bevolking moet geraken. Hoe dan ook staat het comfort van de patiënt steeds centraal.”


Marc Noppen: “De grootste fout is niets doen en afwachten”

Prof. Dr. Marc Noppen is longarts en sinds 2006 CEO van het UZ Brussel, een van de zwaarst getroffen Belgische ziekenhuizen tijdens de pandemie. COVID-19 sloeg er ongemeen hard toe waardoor de nood aan snelle, efficiënte beslissing hoog was. Regeltjes en protocollen vlogen even overboord. “Aan jaknikkers heb je niets. We moeten beslissingen in vraag stellen.”

In april verscheen het boek Gewoon Anders, een vurig pleidooi voor een ongewone gang van zaken. Daarin beschrijft prof. Dr. Marc Noppen hoe hij de coronacrisis aan het roer van het UZ Brussel ervaarde en hoe de pandemie het bewijs leverde dat het beleid en de organisatie van onze zorg ook anders kan. Het zijn 192 bladzijden vol inzichten en kritiek op de overheid, dat het soms aan eindverantwoordelijkheid en daadkracht miste om effectieve beslissingen te nemen. “Iedereen trok zijn paraplu open, terwijl je in een crisis net snelle beslissingen in eer en geweten moet nemen. Daar leer je uit. De grootste fout is niets doen en afwachten”, zegt Marc Noppen. “Covidvoorspellingen zijn geen weersvoorspelling, wel wiskundige feiten.”

Crisismanagement was in 2020 een sleutelwoord. “Zeker tijdens de eerste covidgolf. Die had niemand zien komen”, zegt de longarts. “Het was pompen of verzuipen en de regels van crisismanagement nauwgezet toepassen. Maar tijdens de tweede golf liep het fout. Er kwam geen erkenning naar de zorgverleners door de miskenning van hun werk. Nochtans is de ondersteuning van je personeel cruciaal.”

Geen tweede Bergamo

Marc Noppen spreekt van 4 pieken tijdens iedere golf. Eerst heb je de covidpatiënten, daarna komen de reguliere zorg en de chronische zorg weer op gang. En ook de geestelijke gezondheidszorg vraagt de nodige aandacht. “Ook bij het medisch personeel”, zegt de CEO. “De corebusiness van zorgverleners is mensen beter maken, niet het bezig zijn met accreditaties. Covid was dus spiegel voor alle zorgorganisaties, een hoognodige wake-upcall. Systeemdenken is goed, maar daar moet een evidence-based zorgoutcome tegenover staan.”

Volgens Noppen is het nu zaak om te investeren in een alternatief om die zorgoutcome te bereiken. Dat kan door te kijken wat belangrijk is voor de zorgvragers en dat te delen door de kosten. “Management is niet moeilijk, maar het moet uitgaan van een intrinsieke motivatie. Zoals de motivatie van onze zorgverleners. In management heb je dan drie kernwaarden: autonomie, kennis en een doel. Ons doel tijdens de pandemie? We don’t want Bergamo. Zo kregen we 4.000 neuzen in dezelfde richting.”

Nevenwerkingen

Het UZ Brussel voelt vandaag nog de naweeën van de uitgestelde zorg tijdens de pandemie. “We zijn nooit onder de 13 covidpatiënten gegaan. Tijdens iedere golf onze ICU-capaciteit opschroeven kan op het gebied van infrastructuur wel, maar je moet ook personeel vinden waardoor de reguliere zorg onder druk kwam. Dat voelen we vandaag nog. Bijvoorbeeld in de diabeteszorg zagen we meer ontregelde waarden en amputaties”, licht Noppen toe. “Maar er zijn ook positieve signalen. Zo hebben de teleconsults voor diabetes hun effect niet gemist. De afdeling was een belangrijke frontrunner op dat gebied. Het vervangt een gewone consultatie niet, maar maakt de opvolging wel haalbaar en praktischer.”

Nog positieve effecten van de crisis zijn enerzijds de kennis die op alle gebieden naar voor kwam en anderzijds dat de ziekenhuizen dichter dan ooit bij de eerstelijn staan. “Zo hadden we wekelijks contact met de huisartsenkringen. We informeerden naar wat zij nodig hadden aan hulp. Hetzelfde deden we voor alle woonzorgcentra hier in de buurt. Dat waren eigenlijk sterfcentra. Een gitzwarte pagina in het covidboek.”

Van ziekenzorg naar gezondheidszorg

COVID-19 toonde dat we goed zijn in repareren wat kapot is, maar niet in preventieve maatregelen. “De pandemie hield die healthcare 2.0 tegen”, zegt Marc Noppen. “De huidige zorg is onbetaalbaar. Van de 700 patiënten in het ziekenhuis zijn er 300 bij door slechte leefgewoonten. Er is dus een dringende gamechanger nodig zodat die 300 patiënten deze zorg niet nodig hebben en er meer middelen vrijkomen voor andere zaken. We geven geld uit aan de verkeerde dingen. Er zijn sensibiliseringscampagnes genoeg, maar dat is niet hetzelfde als aan preventie doen. Het emotionele aspect en het genot op korte termijn primeren op de langetermijngevolgen. Dat vraagt een gedragsverandering, waarvoor we alle mogelijke middelen moeten inzetten. Van de psychologie en nudging tot duidelijke informatie verstrekken en krachtige taal spreken.

 

Meer weten over de visie van Marc Noppen op healthcare 2.0? Tijdens het Diabetessymposium van het NVKVV op 9 november doet de CEO van het UZ Brussel alles uit de doeken. Inschrijven kan via www.diabetessymposium.be.


Ethiek: stappenplan persoon met diabetes

Een weduwenaar van 75 jaar is al zeven jaar dialysepatiënt en volgt een streng diabetesdieet. Drie maal per week gaat hij vanuit het woonzorgcentrum naar de dialyse. Mentaal is hij zeer sterk, maar lichamelijk is hij volledig afhankelijk en rolstoelgebonden. Toch hecht hij veel belang aan persoonlijke hygiëne en doet hij zoveel hij kan zelf. Maar vaak komt hij heel kort uit de hoek en stookt ruzie in de dagzaal.

Een diëtist en een nefroloog volgen de man zijn dieet strikt op. Naargelang zijn bloedwaarden, wordt het dieet ook aangepast. Maar de man is zeer kieskeurig en wat hij graag eet, kaas en chocolade, moet hij mijden. Wanneer de nefroloog laat weten dat de diëtist zijn dieet moet bijstellen, reageert de man zeer kortaf naar het personeel en naar medebewoners. Hij slaagt er op die momenten ook in om ruzie te stoken in de dagzaal. Zo erg dat het persoon moet tussen komen.

STAP 1: Casus

De man heeft bijna nooit bezoek. Hij praat enkel met een bewoonster op de afdeling. Zij is altijd begaan met hem, ook wanneer er iets niet goed gaat. Ook zij is in dit geval een betrokken persoon, samen met de diëtist, nefroloog, het personeel, de andere bewoners en de maaltijdverantwoordelijke. Waar de diëtist en nefroloog de situatie puur professioneel bekijken om hem zijn gezondheid zo optimaal mogelijk te houden, probeert het team steeds te bemiddelen. De man zelf ziet al die beperkingen als een verminderde levenskwaliteit en vreugde. Hij is niet levensmoe en vecht zelfs heel hard om beter te worden.

Samen met diëtist werd zijn dieet bekeken en gezocht naar afwisselingen, zoals een toegift bij feestjes op de afdeling. Deze afspraken werden duidelijk naar de man gecommuniceerd om tot een consensus te komen en hem het belang van gezonde voeding uit te leggen. Maar door het af en toe toestaan van iets wat hij eigenlijk niet mag eten, maakt hij nu misbruik van de situatie en is de verleiding groot dat het uit de hand loopt. Met als gevolg dat zijn bloedwaarden opnieuw slecht zijn. Een vicieuze cirkel.

STAP 2: Dilemma’s

Er moet rekening gehouden worden met de verschillende niveau’s om dit probleem te bekijken. Enerzijds zijn er de verpleegkundigen en de zorgvrager. Anderzijds de hoofdverpleegkundige die rekening moet houden met de verpleegkundigen en de man zelf. Bij het formuleren van de dilemma’s moeten we er rekening mee houden dat dit een probleem is van zorgorganisatie, en niet een probleem van zorg op zich. Hoe kunnen we dus vanuit een patiëntenperspectief:

  • De bewoner tevreden stellen en tegelijk de richtlijnen van de diëtist respecteren?
  • Het dieet op een correcte wijze beheren en de richtlijnen van de nefroloog opvolgen?

Daar komt nog bij, hoe kunnen we vanuit het perspectief van de verpleegkundige:

  • Hun vraag naar duidelijkheid, structuur en zekerheid garanderen, samen met de vraag naar autonomie van de patiënt?
  • De vraag van de bewoner respecteren en ook het respect voor de medebewoners bewaken?

STAP 3: Oplossingen

Om deze dilemma’s op te lossen, worden een aantal suggesties gedaan. Zo kan voor de patiënt de aandacht misschien op andere zaken gevestigd worden dan op het eten. Ook kan zijn zelfstandigheid misschien op andere vlakken aangepakt worden. Daarnaast moet hij ook attent gemaakt worden op de beperkingen die zorgverleners hebben en die hij moet respecteren.

De verpleegkundige moet trachten een compromis te vinden samen met de bewoner, de diëtist en de nefroloog. Hij of zij kan ook inspelen om de omstandigheden binnen de instelling, zoals de man zijn relatie met de bewoonster. Van haar neemt hij namelijk veel aan. Tegelijk moet de verpleegkundige ook duidelijke grenzen stellen om de rust van de andere bewoners te garanderen.

STAP 4: Evaluatie

Door te overleggen in teamverband kan je een gemeenschappelijke houding aannemen tegenover de patiënt. Die krijgt zo een duidelijk kader en kan geen interne conflicten veroorzaken. Spreek duidelijk af wie wat doet. Dit overleg kan ook breder gaan, naar het multidisciplinaire team om zo een duidelijke strategie op te stellen. Bespreek dit vervolgens ook met de patiënt, en indien mogelijk samen met de andere bewoonster. Met een duidelijk zorgplan schep je duidelijkheid en verantwoordelijkheid bij de zorgvrager. Maak eventueel een soort contract waarin duidelijk staat dat hij in zijn kamer eet wanneer hij opnieuw bewoners tegen elkaar opstookt. Of laat de man en de bewoonster aan aparte tafels eten. Ook dit zal zijn gedrag beïnvloeden.


Communiceren is meer dan woorden alleen

Iemand zit bij de dokter en krijgt een ingrijpend verdict: een chronische ziekte. Diabetes bijvoorbeeld. Een eerste reactie is er vaak een van shock of ongeloof. Nadien komen de vragen. De manier waarop deze mensen worden opgevangen, maakt een aanzienlijk verschil. Een goede, open communicatie doet hierbij wonderen. Hoe pak je dit concreet aan? Marleen De Pover, lid van de Werkgroep Diabetesverpleegkundigen van het NVKVV, geeft tips.

Wanneer een zorgvrager te horen krijgt dat hij diabetes heeft – of bij uitbreiding een andere chronische ziekte, is de shock meestal zo groot dat die persoon tijdens het eerste consult niet toekomt aan alle mogelijke vragen. Woede, ontkenning, verdriet, schuldgevoel, ongerustheid, frustratie: verschillende emoties passeren de revue. Hoe je hier als zorgverlener mee omgaat en de deur openzet naar eerlijke, ongedwongen communicatie, heeft een enorme impact op die persoon zelf. Het is belangrijk een vertrouwensband te creëren met de zorgvrager, zodat die zich op zijn gemak voelt om alle vragen, hoe zot ook, te durven stellen. Een zorgvrager heeft tijd nodig om alles te verwerken en laten bezinken eer hij beseft hoe drastisch zijn leven zal veranderen. De vragen komen dan ook dikwijls achteraf. Leren omgaan met diabetes binnen de veilige muren van een zorginstelling is bovendien helemaal anders dan het effectief toepassen in de thuissituatie. De bereikbaarheid en de expertise van de diabeteseducator speelt daar een grote rol in.

Open, vertrouwelijke sfeer

De psychologische belasting die het verdict van een chronische ziekte op de zorgvrager legt, is niet te onderschatten. Het is belangrijk om in dergelijke context de ruimte en openheid te bieden die de zorgvrager nodig heeft. Omdat veel zorgvragers zich schamen voor hun vragen, te overweldigd of gestresseerd zijn en onvoldoende kennis hebben, durven ze zich niet altijd even goed te uiten. Als zorgverlener kan je daarop inspelen. Anticipeer de emoties en reacties van de zorgvrager. Bied de kans om ook achteraf nog vragen te stellen. Of lanceer zelf een aantal voorbeelden om de conversatie op gang te trekken. Je kan bijvoorbeeld vragen wat het met die persoon doet. Hoe die zich voelt. Of het niet allemaal teveel is? Pols eventueel vooraf naar de wensen van de zorgvrager. Op die manier beseft die dat het oké is om mee sturing te geven aan de manier van aanpak voor de behandeling. Er komt zoveel op de zorgvrager af dat duidelijke, eerlijke communicatie echt een houvast biedt.

Brede ondersteuning

Bovendien is het netwerk waarop de zorgvrager een beroep kan doen, groter dan hij initieel denkt. Uiteraard kan die persoon terecht bij een uitgebreid zorgkader – denk aan een diabetesverpleegkundige, thuisverpleegkundige, diëtist, oogarts, podoloog, enzovoort – maar ook de persoonlijke relationele context is belangrijk. Vrienden, buren, familie. Ook zij kunnen een luisterend oor bieden. Luisteren, troost bieden en ondersteunen vormen uiteraard de basis om een goede vertrouwensrelatie op te bouwen. Als zorgverlener moet je ook in staat zijn om de zorgvrager gerust te stellen, correcte informatie en advies te geven en eventueel door te verwijzen, indien nodig. Dat alles staat of valt natuurlijk met de manier van communiceren en met je opgebouwde expertise.


Stevige schoenen zijn een vorm van sensibilisering

Iemand met diabetes moet veel aandacht besteden aan een goede voethygiëne. Stevig schoeisel maakt daar deel van uit. Paul Borgions stond mee aan de wieg van de podologie in België en richtte mee de beroepsvereniging op. Vanuit een waakzaamheid voor kwaliteit en sensibilisering geeft hij mee hoe je als zorgverlener de zorgvrager kan bijstaan in een keuze van goede en veilige schoenen

Podologen zijn de enige die statutair een diabetesvoet of risicovoet mogen behandelen. Het vraagt een bijzondere kennis en opleiding om dit medisch complexe probleem aan te pakken. Paul Borgions studeerde af als leerkracht lichamelijke opvoeding en ontdekte gaandeweg zijn passie voor biomechanica en podologie. Twee disciplines die hij vandaag nog steeds combineert om voor iedereen geschikte zolen en schoenen te vinden. “Vaak heb je met een goede schoen al geen zool meer nodig”, zegt de podoloog. “Omgekeerd werkt dat ook: zolen zijn nutteloos als je ze niet ondersteunt met een goede schoen. Je schoenen zijn een buffer tussen je lichaam en de ondergrond. Mensen lopen relatief gezien nog niet zo heel lang rechtop en we zijn nog volop in evolutie. We kunnen in het dagelijkse leven dus niet meer blootvoets lopen.”

Een schoen mag volgens Paul niet storend zijn. Hij vergelijkt het met een bh of met een lange broek, die pas je ook aan aan je lichaam. We kijken dan naar volumes, breedtes en lengtes. Maar wanneer het gaat om schoenen, kijken we enkel naar de maat en niet naar hoe breed de voeten zijn. “Gelukkig zien we de laatste jaren steeds meer hippe sneakers en dat maakt het schoenadvies wat makkelijker. Onze voeten varen dus wel bij de mode”, zegt Paul. “Ik zeg vaak dat goed leven ook mooi en comfortabel leven is. Als je goede schoenen hebt, maar je vindt ze niet mooi, dan ga je ze ook niet dragen. Iemand die steeds pumps draagt, zal niet zomaar naar een sportieve sneaker grijpen. Je moet alternatieven aanreiken. Er zijn vandaag veel goede sneakers op de markt die er verfijnd en elegant uitzien.”

Voorbeeldfunctie

Een goede en veilige schoen heeft een stevige hiel en dus achteraan steeds gesloten, ter hoogte van de tenen moet die soepel kunnen plooien maar in het midden is die best vrij stevig. Let er op dat de schoenen vast aan je voet zit en dat je tenen voldoende ruimte hebben. “Maar laat me duidelijk zijn: niet iedereen met diabetes heeft aangepaste schoenen nodig. Dat is een stigma waar we van af moeten stappen. Een gezonde levensstijl en filosofie is er voor iedereen. We moeten mensen beter maken in plaats van ze in hokjes te steken”, zegt Paul. “Al geef ik toe dat de gevolgen voor personen met diabetes groter zijn.”

Daarom vindt de podoloog het belangrijk om hun zelfredzaamheid bij te brengen. Kijk bij personen met diabetes goed naar de vorm van de voeten. Bij een hoge wreef ga je bijvoorbeeld beter voor een lange vetercompartiment en ook een schoen met ruimte voor de hoge wreef. Bij een brede voet of circulatieproblemen is een schoen met velcro misschien beter of makkelijker. “Podologen geven mensen hierin ook advies. Ze zijn bereid om naar ons te luisteren, zolang we die combinatie van mooi en goed schoeisel maken”, zegt Paul. “Maar ook verpleegkundigen spelen een belangrijke rol. Zij moeten het voorbeeld geven door zelf goede schoenen te dragen. Dat vergroot ook hun geloofwaardigheid, want zorgvragers kopiëren hun gedrag. Medische klompen zijn bijvoorbeeld een no go. Die openen de weg naar een ulcus of erger.”

Steunzolen vs. podologische zolen

Het is nog een groot misverstand dat steunzolen en podologische zolen hetzelfde zijn. Een steunzool wordt voorgeschreven door een arts specialist en wordt vervolgens gemaakt en afgeleverd door een orthopedisch technieker. Vaak gaat het om een standaardzool waar persoonlijke aanpassingen aan gebeuren. De zool zal eerder een ondersteunende functie hebben. Een podoloog maakt de zolen op basis van biomechanische hoekmetingen in rust en in beweging. Hij gaat de voet functioneel sturen zodat deze optimaal kan bewegen zonder extra inspanningen. Elke rotatie in de voet is belangrijk en heeft gevolgen in de rest van ons lichaam, zoals onze nek, hoofd, rug, knie, enkel, … Een ulcus kan een gevolg zijn van teveel druk of wrijving op die bepaalde plaats. Meestal volstaat het niet om alleen die drukzone te ontlasten, maar zal het optimaliseren van de voetassen de drukverdeling terug en beter normaliseren. Veel problemen in de voorvoet kunnen oorzakelijk opgelost worden door de achtervoet beter te sturen. Dat is misschien het belangrijkste verschil tussen een steunzool en een podologische zool. Voor podologische zolen is er voor mensen met diabetes ook een voorschrift nodig voor personen zonder onderliggende pathologieën niet.

“Onze Belgische podologen zijn echt heel goed opgeleid, mede door de inzet en het vertrouwen van dokter Christine Van Acker om dit programma te ondersteunen”, zegt Paul. “Als podoloog maak je deel uit van een multidisciplinair team en verwijs je mensen ook door naar de juiste hulpverleners. Het is een en-enverhaal. Wij kunnen wel volledig op maat zolen maken, maar we moeten de zorgverlener ook op weg helpen naar een gezonde levensstijl door hem onder meer door te verwijzen naar een kinesitherapeut of een diëtist waar nodig. Zo kunnen korte kuitspieren ook een oorzaak zijn voor extra druk op de voorvoet en is de kiné zeer belangrijk, naast alle andere te nemen maatregelen.”

Gedragen schoenen

Uit gedragen schoenen kan je veel elementen afleiden. “Het brengt je een zekere mensenkennis bij. Je ziet meteen wie de persoon is die voor je zit”, zegt Paul. “Maar ook hoe ze versleten worden vertelt ons iets en helpt ons het patroon te begrijpen. Je krijgt zo informatie over tienduizenden stappen. Vaak lopen mensen op echt versleten schoenen. Dat zie je wanneer de antislip weg is, de hiel niet meer loodrecht staat of de schacht aangetast is.”

Tot slot wil Paul nog een laatste misverstand de wereld uit helpen: “Duurkoop en goedkoop gaan hand in hand. Het merk of de winkel zegt niets over de kwaliteit van de schoen. Je moet steeds naar de eigenschappen van ieder paar kijken. Op die manier hoop ik zorgvragers en schoenproducenten te sensibiliseren.”


24 uur als diabeteseducator en als diabetespatiënt

Kathy De Gussemé – UZ Brussel

Kathy is hoofdverpleegkundige op de hospitalisatieafdeling diabetes in het UZ Brussel. Elke dag zet het volledige team zich in voor mensen met diabetes. In dat team zijn 21 verpleegkundigen, waarvan de meeste diabeteseducator zijn.

In de diabeteskliniek vind je mensen die pas te horen gekregen hebben dat ze diabetes hebben of die moeten opstarten met insuline via injecties of insulinepomp. Ze komen binnen via de spoeddienst of via de consulatie. Wie in de diabeteskliniek ligt, is daar voor ongeveer drie dagen en legt een individueel traject af. De focus ligt op educatie, gebracht op een zo laagdrempelig mogelijke manier.” We beiden ook de nieuwste technologieën aan bij onze patiënten zoals de nieuwste insulinepomp en continue glucosemonitoring. Ook voor bepaalde studies zoals betaceltransplantatie kunnen ze bij ons in de diabeteskliniek terecht.

In drie dagen leert iemand die pas de diagnose diabetes kreeg dus omgaan met deze ziekte. “En die dagen heb je echt nodig. We zijn daar flexibel in. Mensen met een drukke agenda kunnen bijvoorbeeld op vrijdag, zaterdag en zondag bij ons komen. Ze krijgen een educatiemap met alle actuele informatie om door te nemen. Maar we regelen ook hun curve en hun dosis, laten een psycholoog en een diëtist langskomen, doen een pen- en apparaatcontrole en starten een bewegingstraject op”, licht Kathy toe.

Up-to-date blijven

Als diabetesverpleegkundige in het ziekenhuis heb je nog andere vaardigheden nodig. Zo moet je steeds up-to-date blijven over de nieuwste technieken, studies en medicaties. Hiervoor kunnen ze onder meer een beroep op wekelijkse seminaries met actuele topics omtrent diabetes . “Vier maal per jaar geven we ook opleiding aan referentieverpleegkundigen diabetes op andere afdelingen. Zo kunnen zij op hun beurt hun team op de hoogte houden.”

Wanneer deze mensen het ziekenhuis verlaten, worden ze telefonisch of via videoconsultatie opgevolgd. Dat gebeurt op initiatief van de verpleegkundigen. “In het ziekenhuis kan je de thuissituatie wel proberen nabootsen, maar het echte leven is toch nog iets anders en biedt vaak onverwachte situaties”, zegt Kathy. “Daarom is die opvolging een week later zo belangrijk. Afhankelijk van de individuele noden komen ze na 1 of 3 maanden terug op consultatie. We doen ook persoonlijke begeleidingstrajecten, bijvoorbeeld bij jongvolwassen en zwangerschappen. Die mensen willen we heel nauw opvolgen.”

Patiënten met diabetes die op andere afdelingen gehospitaliseerd zijn kunnen ook rekenen op een professionele ondersteuning voor hun diabetes. Elke diabetespatiënt die gehospitaliseerd is in het UZ Brussel wordt begeleid en nauw opgevolgd door onze diabeteseducator. Zo kunnen de patiënten met een gerust hart hun operatie ondergaan, wetende dat ook hun diabetes nauw gemonitord is.

Tot slot kunnen mensen met diabetes ook terecht in de Diabetesvoetkliniek. Ook daar gaat een diabeteseducator steeds langs. “Diabetes vraagt een jarenlange kennis en ervaring. Zo kan je mensen optimaal behandelen, helpen en geruststellen”, besluit Kathy.

Bart Dubois – Wit-Gele Kruis van Antwerpen

Als diabetesverpleegkundige in de eerste lijn is Bart voltijds actief in de ruime Antwerpse regio. Bart start om 8 uur ’s ochtends zijn eerste educatie van de dag. In de voormiddag ziet hij twee patiënten en in de namiddag ook twee.

“Diabetes is een complexe problematiek waar wel wat ervaring voor nodig is”, zegt hij. “Een nieuwe patiënt moet je toelichten wat diabetes is, wat een glycemie en HbA1c is, hoe aan zelfcontrole te doen, hoe je medicatie injecteert, hoe de medicatiedosis wordt aangepast, wat de correcte posologie is,… Dat doen we met een geïllustreerde educatiemap. Zelf moet je ook op de hoogte blijven van alle nieuwigheden zodat je dit aan de patiënt kan uitleggen. Na vier weken bezoek ik hen een tweede keer. Wat zijn de eerste resultaten? Wat lukt er vlot? Waar zaten de moeilijkheden? Waren er complicaties? Hoe zit het met voeding? Met het rijbewijs? Waar moet je op reis rekening mee houden? Dat is ook het moment waarop ik een voet- en schoencontrole doe en hen doorverwijs naar een diëtist of eventueel een podoloog.”

Achteraf maakt Bart steeds een verslag op, dat naar de huisarts en ter info naar de diabetoloog gestuurd wordt. Vervolgens is er een jaarlijkse opvolging. Dat kan ook sneller, wanneer er een wijziging is in de medicatie bijvoorbeeld. “Tijdens die controles kijk ik ook opnieuw naar de voeten en naar de schoenen. Ik geef hen tips over stevige schoenen en over een goede verzorging. Uiteraard kunnen patiënten bij vragen of problemen ook steeds contact opnemen.”

Voorbereidend werk

Het eigenlijke werk van Bart start nog voor hij bij de patiënt langs gaat. Het intakegesprek voert hij telefonisch, zodat hij de situatie al wat kent en het dossier kan voorbereiden. “Veel informatie dien je nu nog telefonisch bijeen te sprokkelen. Het is niet altijd duidelijk of het een patiënt betreft met een voortraject of een zorgtraject diabetes. Of dat het juiste traject al werd aangevraagd/goedgekeurd, moet ik ook vaak nog bij de huisarts en/of ziekenfonds te verifiëren.” Daarnaast vraagt hij ook het laatste verslag op van de specialist. Die hele voorbereiding is een tijdrovend werkje door gebrek aan een centrale database waar verpleegkundigen deze informatie vinden.

Evolutie

“Eigenlijk ben ik hier ingerold. Toen ik in 1991 in de thuiszorg startte, was er nog geen diabeteseducatie in de eerstelijn mogelijk. Pas in 2007 behaalde ik het diploma van diabeteseducator, nadat ik eerder al een opleiding genoot tot referentieverpleegkundige diabetes. Vandaag zijn we met zo’n 15 collega’s actief als diabeteseducator bij het Wit-Gele Kruis voor de hele provincie Antwerpen. We scholen ons voortdurend bij tijdens vormingen, informeren elkaar over nieuwigheden en komen hiervoor regelmatig samen. Dit wordt gecoördineerd door onze stafmedewerker diabetes. Ook onze thuisverpleegkundigen kunnen steeds bij ons terecht en we houden hen ook op de hoogte van nieuwigheden in de diabeteszorg. Er is nu eenmaal een bepaalde workload nodig als je dit goed in de vingers wil krijgen en houden. Het is maatwerk voor elke patiënt, maar dat maakt het net zo boeiend.”

24 uur als diabetespatiënt

Zes jaar geleden kreeg Yana Van Opstal (31) de diagnose diabetes type I. Haar pancreas weigerde plots nog insuline aan te maken. Sinds die diagnose neemt ze zelf de taak van haar pancreas over, in de vorm van insulinespuiten. “Diabetes is een “onzichtbare” ziekte, maar wel een constante compagnon in het leven, ook op vakantie”, zegt ze.

7u30: “We worden wakker in ons hotel in Noord-Italië. Ik start de dag zoals altijd : de sensor op mijn arm scannen en kijken hoe mijn bloedsuikerspiegel vannacht stond. Als diabetespatiënt is meten namelijk weten. Ik voel enige vorm van tevredenheid en trots als ik zie dat dit een stabiele nacht in de groene zone is geweest.”

8u30: “Bij het ontbijt spoken steeds dezelfde vragen door mijn hoofd om uit te rekenen hoeveel insuline ik mezelf moet toedienen. Hoeveel honger heb ik? Waar heb ik vandaag zin in? Wat drink ik erbij? Enkel wat koffie, met een verwaarloosbaar aantal koolhydraten, of toch ook een glaasje vers appelsap, waar de koolhydraten goed doortellen? ‘s Ochtends moet ik namelijk het aantal koolhydraatporties (12,5g koolhydraten) verdubbelen om het aantal eenheden te spuiten insuline te weten te komen. Na een inschatting van wat ik wil eten en drinken en met hoeveel koolhydraatporties dat overeenkomt, neem ik de snelwerkende insuline uit de handtas en pomp zeven insuline-eenheden via een zeer fijn naaldje in mijn buik. De eerste weken na de diagnose had ik constant een boekje met het aantal koolhydraatporties per type voedsel bij de hand, maar na een tijdje lukte het aardig goed om de inschatting zelf te maken.”

10u00: “Tijd voor actie. We vertrekken voor een mooie wandeling met in de rugzak twee kleine blikjes frisdrank, twee pakjes koeken, de insulinespuit en de GlucaGen® Hypokit®. Voor we op reis vertrokken, gaf ik mijn reisgezelschap nog een opfrissingscursus over hoe de spuit moet toegediend worden. Ze oefenden met een vervallen noodspuit en een bijna-rotte sinaasappel die moest doorgaan als mijn bilspier. Ondanks de geslaagde test, hoop ik toch dat ze die noodspuit nooit hoeven te gebruiken. Gelukkig ken ik mijn symptomen – zweetuitbarstingen en bevende handen – waardoor ik een effectieve hypo steeds kon vermijden door een suikerrijk drankje, snoepjes en/of een koekje in te nemen.”

11u00: “Na een uurtje ben ik al helemaal uitgeteld van het klimmen. Tijdens een pauze haal ik de smartphone boven om te scannen hoe het suikergehalte in mijn bloed evolueert. Diabetes en sporten is toch een combinatie die wat extra aandacht vereist. Sporten doet namelijk de insuline beter werken en de bloedsuikerwaardes sneller dalen. Bijkomend nadeel is dat de symptomen van een hypo moeilijker te herkennen zijn wanneer het lichaam ook sportreacties zoals zweten vertoont. Op het schermpje verschijnt een grafiekje met een iets te hoge piek na het eten die wel redelijk snel daalt, maar gelukkig lijkt te stabiliseren in de groene zone.”

12u30: “Hoera, we zijn aangekomen aan het gezellige hutje waar we even rustig kunnen gaan zitten, wat genieten van de mooie uitzichten en iets lekkers eten en drinken. Ook nu bekijk ik het bordje dat me voorgeschoteld wordt in eerste instantie als koolhydraatporties: een typische Südtirolse wurst met drie stukjes brood, goed voor twee koolhydraatporties. Normaal gezien zes eenheden snelwerkende insuline, maar omdat er ons nog een hele terugweg te wachten staat, spuit ik toch iets minder. Als ik mijn tante – die zo’n 50 jaar geleden de diagnose diabetes kreeg – hoor vertellen, ben ik enorm blij dat de inzichten fel verbeterd zijn tegenover toen. Zij moest haar voedsel afwegen om exact te weten hoeveel insuline die ze moest inspuiten.”

14u00: “Met een gevuld buikje zijn we klaar voor de terugweg. Bergaf, dat gaat vlotter. Qua glucose gaat het iets minder vlot. Bij een tussentijdse scan merk ik dat de piek na het eten niet daalt naar het normale niveau. Zouden er in dat drankje dan toch ook koolhydraten gezeten hebben? Met een klein schuldgevoel dat ik daar iets te weinig over nagedacht had tijdens het consumeren, spuit ik toch maar twee eenheden insuline bij.”

16u30: “Terug aangekomen in het hotel, vinden we dat we recht hebben op een welverdiend terrasje. Alcohol, nog zoiets waar je als diabetespatiënt toch wat extra bij moet stilstaan. Verschillende alcoholische dranken bevatten heel wat koolhydraten, anderen zijn zo goed als verwaarloosbaar. De grote valkuil in combinatie met diabetes, is dat alcohol de glucose na enkele uren doet zakken. Nu hebben we nog een avondmaaltijd in het vooruitzicht, dus hoef ik niet te veel schrik te hebben voor een te lage waarde. Maar bij alcoholische consumpties ‘s avonds voor het slapengaan, bestaat het risico op een nachtelijke hypo, wat absoluut te vermijden valt natuurlijk.”

18u30: “Een viergangenmenu is puur genot. Maar om de glucose op peil te houden, is het toch iets lastiger. Ook al krijgen we de menukaart op voorhand en kan ik daaruit inschatten hoeveel koolhydraten er op m’n bord zullen verschijnen, toch zitten er addertjes onder het gras. De porties vallen wat kleiner of groter uit dan verwacht en kunnen dus de insulineberekening in de war sturen. Een toegevoegd fantasietje van de chef waar ook koolhydraten in blijken te zitten, zou ik dan toch beter niet opeten of moet ik voor bijspuiten. Het dessert dat ik wel gerekend heb om m’n eenheden insuline te berekenen, krijg ik toch niet meer binnengewerkt waardoor ik te veel zal gespoten hebben. Je moet er allemaal over nadenken; het zijn allemaal zaken waar over nagedacht moet worden. Het dessert is nog maar net op wanneer mijn gsm-alarm afgaat: de dagelijkse herinnering om de langwerkende insulinespuit toe te dienen.”

20u30: “Tijdens de spelletjesavond merk ik lichtjes bevende handen op. Stress om niet te verliezen, of zou het toch aan de diabetes kunnen liggen? Jawel, het schermpje licht rood op en geeft een te lage waarde aan. Ik ga snel naar de hotelkamer voor mijn favoriete manier om een naderende hypo te verhelpen: snoepjes. Ieder nadeel heeft een voordeel, niet waar? Nu is het wel kwestie van op tijd te stoppen. Al geef ik toe dat een hypercorrectie wel eens voor durft te vallen.”

23u00: “Tijd om te gaan slapen. Ik eindig de dag zoals ik hem begon: met de smartphone tegen de sensor op mijn bovenarm. Die sensor voel ik nauwelijks nog zitten. Af en toe wijst een nieuwsgierige vriendin of voorbijganger mij er op en dan leg ik met plezier uit waar die voor dient. Vanavond staan mijn waardes aan de hogere kant, maar niet hoog genoeg om insuline bij te moeten spuiten. Duimen voor een stabiele nacht. Slaapwel!”


Endocrinologe Chantal Mathieu: “Diabeteseducatoren hebben persoonsgerichte zorg uitgevonden”

Endocrinologe Chantal Mathieu is een begrip in de diabeteszorg en een autoriteit in het onderzoek naar diabetes. De voorbije dertig jaar bouwde ze samen met professor Bouillon in het UZ Leuven een sterk team van diabeteseducatoren uit. Als kind droomde ze er van verpleegkundige te worden. Het is meteen de reden waarom haar aanpak van behandelen steeds een verplegende insteek heeft. Een gesprek, over diabeteszorg en over verpleegkunde.

Als studente deed professor dokter Chantal Mathieu stages op de dienst geriatrie. “Ik stak er veel op en had een ontzettend respect voor verpleegkundigen. Uiteindelijk ging ik toch de geneeskunde in, maar het duurde even voor ik daar mijn echte roeping vond”, zegt ze. “Van pediatrie ging ik naar inwendige geneeskunde. Daar raakte ik geboeid door de verhalen van patiënten en zo kwam ik uiteindelijk bij endocrinologie terecht.”

Dokter Mathieu geeft meteen toe dat ze een haat-liefdeverhouding heeft met verpleegkundigen. “Zij zijn de backbone van een ziekenhuis. Zeker in een universitair ziekenhuis, waar assistenten komen en gaan. Verpleegkundigen blijven trouw aan hun ziekenhuis en hebben daardoor ook een belangrijke opleidingsrol naar artsen toe. En toch vind ik dat verpleegkundigen wat vaker fier mogen zijn en prominenter hun rol binnen een multidisciplinair team opnemen. Vandaag gaan ze veel te veel uit van een onderdanige positie, terwijl alle zorgverleners in een team van elkaar kunnen leren. Verpleegkundigen hebben inhoud en ervaring. Wees mondiger en durf jezelf te uiten.”

Patient empowerment

Zo is dokter Mathieu, recht voor de raap en altijd met de beste intenties voorop. Voor zorgverleners en zorgvragers. Vanuit die visie trok ze ook het diabetesproject van het UZ Leuven op gang. Een multidisciplinaire aanpak die de kwantiteit en kwaliteit van leven met diabetes verbetert. “Diabetes type 1 en type 2 vragen een totaal verschillende behandeling. Toch is bij beide types een gestructureerde educatie en een stipte opvolging nodig. Daarom investeerden we in sterke complementaire teams die heel duidelijk weten wat hun taken zijn. In dat team zitten endocrinologen, diabeteseducatoren en diëtisten, maar ook sociaal verpleegkundigen, podologen en psychologen worden hier bij betrokken.”

In het zorgtraject diabetes worden patiënten opgeleid om hun zorg zelf in handen te nemen. “Ook de patiënt is deel van dat team. In het dagelijks leven staan ze zelf in voor hun zorg. Al hangt het wel van de situatie af. Als je echt ziek bent, dan wil je gewoon de beste zorgen krijgen en behandeld worden. In een woonzorgcentrum wordt de bewoner vaak te kinds behandeld. Ik vind het daar een kwestie van de zorg anders te organiseren zodat ook zij meer inspraak krijgen.”

Een mirakel

In het concept van wat een diabeteseducator doet en kan, staan we in België zeer ver. Chantal Mathieu is er van overtuigd dat zij een onmisbare schakel in de diabeteszorg zijn. Meer nog, ze noemt de educatoren een mirakel. “Het idee kwam overgewaaid uit Nederland en werd in het UZ Leuven geïmplementeerd door professor Bouillon. Ze werden geïntroduceerd in 1986 en hun takenpakket groeide doorheen de jaren aanzienlijk. Het zijn gespecialiseerde verpleegkundigen en diëtisten die zeer kort bij de zorgvrager staan. Hierdoor bouwen ze een nauwe therapeutische relatie op en die is cruciaal in de opvolging van mensen met een chronische ziekte zoals diabetes. Eigenlijk vonden zij de persoonsgerichte zorg uit, want iedere persoon met diabetes is anders en vraagt een andere aanpak. Diabeteseducatoren maken echt het verschil.”

Toch hekelt dokter Mathieu de corporatistische houding van heel wat verpleegkundigen. “Vaak zijn ze weinig flexibel en dat doet afbreuk aan de schoonheid van hun beroep. Ze zijn taakgebonden, niet uurgebonden en hebben een zeer belangrijk rol in het team. Dat besef start al in de opleiding, waar zeer duidelijk moet aangegeven worden hoe open een flexibel de taak van een verpleegkundige is. Let op, veel hangt ook af van de mentaliteit in een ziekenhuis. In een kleiner ziekenhuis heb je nauwere contacten. In een groter ziekenhuis is het al wat moeilijker om problemen aan te kaarten. Maar dan nog vind ik dat ze moeten durven spreken.”

Kritische noot

Volgens dokter Mathieu verzandt het zorgsysteem vandaag nog te vaak in het aanklikken van symptomen. We verzamelen veel data, maar stuiten ook op veel frustraties bij zorgverleners en zorgvragers. “Ik noem dat de schijn van kwalitatieve zorg. We registreren en stellen dagprofielen op. Maar dit is een zware last, zowel voor de verpleegkundige die vaak domme taken moet uitvoeren, als voor de patiënt die steeds dezelfde vragen moet beantwoorden. Hierdoor gaan we vaak niet persoonsgericht genoeg te werk. Je moet protocollen volgen, absoluut. Maar we mogen nooit vergeten om ook kritisch te zijn.”

Wat is dan de oplossing? “We moeten naar een geïntegreerde zorg voor mensen met diabetes. Materialen, zorgtrajecten, samenwerkingen met de eerste lijn en tussen verschillende disciplines zijn noodzakelijk om diabeteszorg naar een hoger niveau te tillen. Op het vlak van geneeskunde in het algemeen ben ik er van overtuigd dat verpleegkundigen de toekomst zijn. Zij zullen de geneeskunde overnemen. Zeker wanneer het gaat over chronische aandoeningen. Zij kunnen beter dan wie ook protocollen opvolgen en patiënten ondersteunen. En dat is zeer positief voor de zorg in ons land.”